‘Bach was in 1727 ouderwetser, met minder rococo’

Richard Egarr dirigeert bij de Nederlandse Bachvereniging dit jaar de Matthäus Passion in de onbekende, vroege versie.

„Minder rococo, meer zeventiende-eeuws.” Zo omschrijft dirigent en klavecinist Richard Egarr de ‘oorspronkelijke’ versie van de Matthäus Passion, die Johann Sebastian Bach waarschijnlijk in 1727 in Leipzig uitvoerde en die nu klinkt bij de Nederlandse Bachvereniging.

De Matthäus die tegenwoordig meestal wordt uitgevoerd, en die nergens zo tot het collectieve bewustzijn behoort als in Nederland, werd door Bach pas in 1736 opgeschreven. Op mooi papier, in zijn netste handschrift, de Bijbelteksten zelfs in rode inkt – een bijzonderheid.

Daarbij heeft Bach ook de muziek, toen al zo’n negen jaar oud, aangepast. Verbeterd, volgens sommigen. Zijn definitieve visie vastgelegd, volgens anderen. „Misschien is dat zo”, zegt Egarr, „maar hij heeft de muziek ook aangepast aan de mode, aan nieuwe gewoonten. Die rococoachtige versieringen, dat hing in 1736 veel meer in de lucht. De oorspronkelijke versie was minder opgesmukt. Slightly simpler.”

Egarr (1963), die al jaren in Nederland woont, is een jeugdige Engelsman, die enthousiast vertelt. Voor het interview kan beginnen, helpt hij nog even het kistorgel op een karretje te tillen, en als we na ons gesprek, in een zonnig Utrechts park, samen de trein naar Amsterdam nemen, moet op het station eerst even een ‘pint’ voor onderweg worden gehaald.

Voor een Engelsman is het niet vreemd om in de Nederlandse Matthäus-cultus terecht te komen, vertelt hij. „Wat hier de Matthäus is, is in Engeland de Messiah van Händel.” Als koorknaapje in York Minster moest hij dat werk eindeloos zingen, en ook als dirigent voerde hij het al vele malen uit. „Het is de absolute top van de koormuziek, samen met de Matthäus en de Hohe Messe van Bach.”

Vanuit zijn ervaring met de Messiah weet hij waar het ook met de Matthäus fout kan gaan: ingesleten gewoontes. Het duizendste Erbarme Dich gaat toch onvermijdelijk een beetje op de automatische piloot.

Dat hij de Matthäus dirigeert in de eerste versie – tot nu toe vooral voer voor musicologen – is dan ook deels een strategische keuze: het houdt zowel uitvoerenden als publiek scherp. Maar ook muzikaal vindt hij zijn keuze verantwoord: „Het is een volkomen valide momentopname uit Bachs ontwikkeling, geen gemankeerde variant.”

Dat we van die eerste versie een partituur hebben, is te danken aan Johann Christoph Altnickol. Die had van 1744 tot 1748 les van Bach, en trouwde in 1749 met één van diens dochters. Op een dag moest hij, vermoedelijk als huiswerk, de Matthäus overschrijven. Waarschijnlijk wilde Bach zijn ‘mooie’ partituur van 1736 netjes houden, en dus kreeg Altnickol het manuscript van de oude versie. Dat manuscript ging later verloren, maar het afschrift van Altnickol overleefde.

Het opvallendste verschil met de latere versie is het slot van het eerste deel. De geroutineerde luisteraar verwacht daar het grote koor O Mensch, bewein dein Sünde Groß. Dat koor, oorspronkelijk het begin van de tweede versie van de Johannes Passion, voegde Bach echter pas in 1736 toe aan de Matthäus. Tot die tijd klonk daar een veel eenvoudiger koraal, Jesum lass ich nicht von mir. Ook het koraal Ich will hier bei dir stehen kwam in de oude versie nog niet voor. „Dat zijn echt structurele verschillen. Vooral dat andere slot verandert de balans van het eerste deel volledig.”

Een spannend verschil in instrumentatie is te vinden in de bas-aria Komm, süßes Kreuz. Wie daar als begeleiding een viola da gamba gewend was, zal op zijn minst even de oren spitsen als dat ineens een luit blijkt te zijn. Kinky noemt Egarr de andere opening van het tweede deel: in plaats van door een vrouwelijke alt, wordt Ach, nun ist mein Jesus hin hier gezongen door een mannelijke bariton. „Dat is vreemd”, zegt Egarr, „omdat het tweede koor wel antwoordt met: Wo ist denn dein Freund hingegangen, o du Schönste unter den Weibern. De bariton een ‘Weib’? Je zou er bijna een Da Vinci Code-achtig geheim achter vermoeden.”

Toch zijn het de talloze kleinere verschillen die het belangrijkst zijn, zegt Egarr. „Er zijn minder versieringen, veel melodische figuren zijn eenvoudiger, de tekst is soms net iets anders. Dat houdt iedereen bij de les, en dat is tegelijk het moeilijkst voor de musici.”

Het andere, het onverwachtse: dat is wat Egarr graag een rol laat spelen in zijn concerten. Liefst met negen verschillende Matthäus-uitvoeringen als resultaat. Wie luistert naar zijn opname van de Goldberg-Variationen, vorig jaar verschenen bij Harmonia Mundi, weet dat hij muziek het liefst laat klinken alsof hij haar ter plekke ontdekt en op haar reageert – vloeiend, flexibel, menselijk. Zijn verklaring verraadt zijn wortels in de Engelse koortraditie: „We moeten het mechanische uitbannen. De muziek toestaan om weer vocaal te zijn.”

Ned. Bachvereniging o.l.v. R. Egarr, met Gerd Türk (evangelist), Bas Ramselaar (Christus, bas), Maria Cristina Kiehr (sopraan), Wilke te Brummelstroete (alt), Andrew Tortise (tenor) en Giles Underwood (bas). J. S. Bach: Matthäuspassion, BWV 244b. 30/3 t/m 7/4 Naarden, Aardenburg, Utrecht en Amsterdam. Inl.: www.bachvereniging.nl.