Anglicanen: boeten voor slavernij

In Groot-Brittannië is dit weekeinde op veel plaatsen herdacht dat de slavenhandel gisteren precies 200 jaar geleden door het Lagerhuis werd verboden. Een bijzondere rol was weggelegd voor de Anglicaanse Kerk. De kerk, die zich van oudsher als het geweten van de natie opwerpt, kon niet voorbij gaan aan het feit dat zijzelf op dit terrein ook stevig had gezondigd.

De anglicaanse Kerk bezat slaven op eigen plantages in West-Indië en streek destijds een fors bedrag op van de regering als schadeloosstelling voor het verlies van de slaven. Bovendien opereerden veel Britse slavenhandelaars en de bemanning van schepen voor het vervoer van slaven met volle instemming, zo niet de zegen, van de Anglicaanse Kerk.

Aartsbisschop Rowan Williams leidde zaterdag, geflankeerd door zijn nummer twee, de zwarte aartsbisschop John Sentamu, een processie door Londen en een dienst ter herdenking van het leed dat de slavenhandel onder veel Afrikanen had aangericht. Sommige processiegangers waren in geketende staat helemaal uit Hull in Noord-Engeland naar Londen gelopen. Hull is de plaats waar de drijvende kracht achter de afschaffing van de slavenhandel, de parlementariër William Wilberforce, vandaan kwam.

De aartsbisschop verklaarde dat de anglicanen met hun mars konden proberen „de historische onrechtvaardigheden uit naam van de kerk begaan” te helpen helen. Vandaag suggereerde hij op de BBC-radio dat de kerk wellicht alsnog materieel moet boeten voor de zonden van het verleden. Sentamu had zaterdag al verklaard dat een schadevergoeding minder belangrijk was dan excuses. Hij riep daartoe ook de regering op. Premier Blair heeft tot dusverre volstaan met een uiting van „diepe droefheid” over de prominente Britse rol in de slavenhandel.