Ze spelen pornofilms na

Geef als leraar maar eens antwoord op al die lastige vragen over liefde en seks. Veel docenten beginnen er liever niet aan.Brigit Kooijman

“Soms heb je van die lessen, dan gáát het er opeens over, ook al staat het niet op het programma. Zoals vorig jaar in een vierde klas. Ik had verteld dat maar heel weinig vrouwen klaarkomen van een beetje heen en weer gaan, toen een meisje riep: ‘O, vandaar dat ik er eigenlijk niks aan vind als ie op me ligt te rampetampen!’”

Ingrid Overbeek is docente zorg en welzijn op het LJC2 Oost, een vmbo-school in een multiculturele wijk in Haarlem. Anders dan veel andere docenten in het voortgezet onderwijs, hebben zij en haar collega Lenie Wijkstra veel plezier in het geven van seksuele vorming. Dat het noodzakelijke lessen zijn, zeker op het vmbo, bewijst het gebrek aan kennis bij hun leerlingen. Terwijl ze wel al vroeg aan seks beginnen, vroeger dan hun leeftijdgenoten op de havo en het vwo, die bovendien makkelijker elders aan informatie komen. “Laatst vroeg een meisje uit de vierde of je zwanger kon worden als je sperma inslikt. Ook wat ongesteldheid nou precies is, weten ze vaak niet”, vertelt Overbeek. “Dat hebben ze allemaal in de tweede klas gehad bij biologie, maar vaak dringt het op die leeftijd nog niet goed door.” Wijkstra: “Daarom is het zo belangrijk om er in de derde en vierde klas op terug te komen.”

Er bestaan grote verschillen tussen scholen als het gaat om seksuele vorming. Op het LJC2 in Haarlem krijgen de tweedeklassers bij biologie in drie tot vier lessen het ‘technische verhaal’ te horen, inclusief de boodschap van het veilig vrijen. In de derde klas is er een loverboysproject van bij elkaar twaalf lesuren. Er zijn scholen waar de leerlingen helemaal geen seksuele vorming krijgen. En andere scholen vinden het zo belangrijk dat ze er in de tweede klas wekelijks twee uur per week aan besteden.

Bij de Rutgers Nisso Groep, het kenniscentrum voor seksualiteit dat onderzoek doet en voorlichtingsmateriaal ontwikkelt, zouden ze graag zien dat seksuele en relationele vorming verplichte lesstof werd. Maar het wordt juist vrijblijvender. Ineke van der Vlugt, programmahoofd seksuele en relationele vorming: “In de kerndoelen voor het onderwijs komt seksuele vorming er bekaaider af dan een paar jaar geleden. Het beleid van het ministerie is om meer aan de scholen zelf over te laten, zodat ze hun onderwijs kunnen afstemmen op hun leerlingenpopulatie. Met als gevolg dat sommige scholen hun snor drukken. Ik vind dat we toe moeten naar een landelijk raamwerk met bepaalde eindtermen.”

“Bijkomend probleem is dat de GGD’s, die ondersteuning kunnen bieden bij seksuele vorming, in sommige regio’s onvoldoende capaciteit hebben, omdat ze, al naar gelang de actualiteit, hun prioriteit leggen bij zaken als overgewicht en alcohol en drugs. Terwijl ze door het voortgezet onderwijs wél overladen worden met verzoeken om gastlessen te komen geven over seksualiteit. Juist omdat de scholen zelf het vaak zo’n moeilijk onderwerp vinden.”

onderzoek

Van der Vlugt dringt aan op een landelijk onderzoek naar seksuele en relationele vorming in het onderwijs. “De laatste studie dateert van 1995. Hoe het nu is, daar hebben we geen zicht op.”

De signalen zijn niet best. Yuri Ohlrichs, die namens de Rutgers Nisso Groep leraren traint in het geven van seksuele vorming, vertelt: “We horen de laatste jaren vaak dat er te weinig tijd is. Leraren kunnen alleen de grote lijnen bespreken, waarbij het vooral gaat om het voorkomen van ongewenste zwangerschappen en de preventie van soa’s. Niet om de vraag, bijvoorbeeld, hoe je een relatie leuk houdt. Terwijl jongeren snakken naar dat soort informatie. Er is dus nauwelijks aandacht voor de communicatieve kant. Al heeft dat laatste ook een andere reden: het is gemakkelijker om een technisch verhaal te vertellen dan om het over emoties te hebben. Leraren zijn vaak benauwd voor persoonlijke vragen. Het ontbreekt ze aan kennis en vaardigheid om dit onderwerp op een goede manier te bespreken. En verder zie je dat sommige docenten op zwarte scholen heikele thema’s als homoseksualiteit niet meer bespreken. Het lokt te veel onrust uit.”

Hoe pakken Ingrid Overbeek en Lenie Wijkstra dit aan, op hun school die voor ongeveer de helft zwart is? “Ik hou wel degelijk rekening met cultuurverschillen,” vertelt Overbeek. “Bij het loverboysproject kregen de leerlingen een film te zien waar seks in zat. Dat vertel ik van te voren, en als er dan moslimmeiden zijn die hun hoofd afwenden, accepteer ik dat. Maar ik accepteer niet dat ze sprookjes vertellen over het maagdenvlies, dat je altijd bloedt de eerste keer, en dat het altijd enorm pijn doet. Onzin, zeg ik dan. Verder probeer ik te laten zien dat iedereen zichzelf mag zijn, dat ieder mens van waarde is. Dus als er nare opmerkingen worden gemaakt over homo’s, reageer ik daarop.”

persoonlijk

Zelf hebben ze geen last van die angst voor al te persoonlijke vragen, maar Overbeek en Wijkstra herkennen het wel bij collega’s. Overbeek: “Als ik uitleg dat het belangrijk is om met elkaar te praten, om te zeggen wat je wel en niet prettig vindt, en dat dat soms hartstikke lastig is, kan ik de vraag verwachten: Juf, doet u dat zelf eigenlijk ook? En dan vertel ik dat het ook voor mij nog weleens moeilijk is, terwijl ik nota bene een relatie heb van twintig jaar. Maar je hoeft niet je hele seksleven op tafel te gooien, je kan zeggen dat sommige dingen privé zijn.”

“Vooral buiten de lessen bestoken leerlingen je soms met vragen”, is Wijkstra’s ervaring. “Vorig jaar tijdens een uitstapje wilden ze ineens weten wat ik zelf nou lekker vind. Het was een beetje een politiek antwoord wat ik gaf, ik zei: ‘Alles wat er met me gedaan wordt, vind ik lekker, anders gebeurt het niet.’ Veel meisjes doen dingen tegen hun zin, daar schrik ik soms echt van. ‘Hij wil altijd dat ik hem pijp, maar eigenlijk vind ik dat niet leuk.’ Of: ‘Hij wil dat zijn vriend kijkt.’ Ongelofelijk.”

Overbeek: “Ze spelen pornofilmpjes na, dat is wel duidelijk. Ik probeer ze bewust te maken dat het prima is om naar die filmpjes te kijken, maar dat ze zich wel moeten afvragen of ze zelf die keus maken, of dat ze zich verplicht voelen. De boodschap die wij steeds proberen over te brengen is dat seks iets leuks hoort te zijn.” En dat geldt uiteraard ook voor de jongens. “Die zitten net zo goed met allerlei vragen en onzekerheden”, zegt Lenie Wijkstra. “‘Die van mij is te klein’, of ‘hij staat een beetje scheef’, daar zijn ze erg mee bezig. Vaak zie je bij jongens dat ze in de les alleen maar stoere praat hebben, al valt dat bij ons bij de richting zorg en welzijn gelukkig heel erg mee. Anders zou je ervoor kunnen kiezen om de jongens en meisjes deels apart seksuele vorming te geven.”

Leerlingen merken het onmiddellijk als leerkrachten niet vrijuit durven te praten over seksualiteit, weten ze bij de Rutgers Nisso Groep. Sommigen hebben het van nature, sommigen kunnen het leren, anderen niet. “Als je er moeite mee hebt, doe het niet”, benadrukt Yuri Ohlrichs. “Want je geeft wel een boodschap aan die kinderen.”

Daar zijn Ingrid Overbeek en Lenie Wijkstra het van harte mee eens. Wel vinden ze dat er op de docentenopleidingen veel meer aandacht moet komen voor seksualiteit. Leraren hebben met pubers te maken, en welk vak ze ook geven, ze kunnen elk moment geconfronteerd worden met het onderwerp. Het is goed om daarop voorbereid te zijn. Overbeek: “Al ben je als leraar natuurlijk nergens als je niet een béétje ad rem bent. Laatst kwam er aan het begin van de les een leerling de klas binnenstormen: ‘[...] is in haar kontje geneukt!’ Ik schoot in de lach en zei: ‘Als ze het maar wel veilig heeft gedaan.’”

Meer informatie voor leerkrachten op www.seksuelevorming.nl