Wie de beschaving terug wil, moet weer leren balanceren

De mens die, net als een beest, zijn leven inricht rondom de onmiddellijke behoeftebevrediging voelt niets voor actief burgerschap. Politiek is er dan uitsluitend om de eigen wensen te bevredigen.

Sebastien Valkenberg

Filosoof en publicist. Auteur van ‘Het laboratorium in je hoofd’ (2006), dat is genomineerd voor de Socrates-wisselbeker 2007.

Rotzooi op straat, scheldpartijen op het voetbalveld, spreekkoren in de stadions, agressie in het verkeer. Het maatschappelijke verkeer is verruwd, zelfs in de Tweede Kamer is het scheldwoord of de schoffering bon ton geworden. Ooit ging de mens door voor het redelijke dier – we wisten dat het dierlijke in ons zat, maar we hielden het in bedwang met behulp van de rede. Het lijkt erop alsof we hiertoe steeds minder in staat zijn. De mens is beest geworden, en de vraag is hoe we dit beest weer in de fles krijgen.

Het antwoord op die vraag begint met een andere vraag: wat is vrijheid eigenlijk? Is vrijheid vooral doen en zeggen wat je wilt? Een verbod voor anderen zich vooral niet met jou te bemoeien? Op het eerste gezicht lijkt deze visie op vrijheid overtuigend, maar in de praktijk manifesteert deze zich in een lak-aan-de-anderhouding van bijvoorbeeld Geert Wilders. Hij claimt ‘geen blad voor de mond te nemen’ en zegt dat andere politieke partijen wat hem betreft ‘de boom in kunnen’. Zo verwordt de vrijheid van meningsuiting tot eenrichtingsverkeer: zo hard mogelijk roepen en niet luisteren. Als dat de enige manier is om vrij te zijn, moeten we niet vreemd opkijken als onze publieke ruimtes verworden tot domeinen waar wordt geschreeuwd en gescholden, tot op het punt dat niemand elkaar meer verstaat.

Er is beschaving nodig om elkaar te verstaan, en alleen als je elkaar kunt verstaan, word je ook gehoord. En pas als je gehoord wordt, kun je vrij zijn – als niemand naar je wilt luisteren, betekent het recht op een eigen mening niets. Dat leren verstaan is moeilijk; het vereist dat je je eigen mening even opschort, om zo een gesprek mogelijk te maken. En dat is nog maar het begin. Nog veel moeilijker is accepteren dat een ander het anders ziet dan jij. Beschaving is een evenwichtskunst. Het vereist een gedeelde verantwoordelijkheid om het gesprek op gang te houden en het besef dat we het totaal met elkaar oneens kunnen zijn. De huidige verruwing is het gevolg van het onvermogen of de onwil om deze balanceeract nog langer vol te houden. Een gedeelde verantwoordelijkheid vereist dat we ons houden aan bepaalde spelregels, maar als we iedere regel alleen maar zien als een beperking van de vrijheid, is het heel moeilijk om gezamenlijk nog een spel te spelen. Hetzelfde geldt als we niet meer met andere inzichten wensen geconfronteerd te worden: dan willen we een samenleving die uniform is – met als gevolg een doorgeschoten verlangen naar een collectieve identiteit, waarbij alles wat afwijkt van de norm als bedreigend wordt gezien.

Beschaving is dan ook niet hetzelfde als het streven naar een set ‘gedeelde waarden en normen’. Waarden en normen kunnen nooit het doel op zich zijn, maar alleen een voorwaarde om hartgrondig met elkaar van mening te kunnen verschillen zonder dat we elkaar naar het leven staan. Juist in de hedendaagse geëmancipeerde en multiculturele samenleving moeten we weer leren balanceren.

In de Klassieke Oudheid bestond er een plaats die speciaal was ingericht voor deze balanceeract: de publieke ruimte. Daar waren mensen vrije en gelijke burgers en konden zij het hartgrondig met elkaar oneens zijn, zónder dat ze als privépersonen als vijanden tegenover elkaar stonden. Ze waren het weliswaar oneens als publieke personen, maar na de strijd konden ze zich terugtrekken in de privésfeer van het huishouden. De Grieken waren er trots op dat zij zo’n domein hadden en ze beseften terdege de uniciteit van dit politieke experiment. Daarmee onderscheidden ze zich van al wat zich buiten de muren van de polis bevond: de barbaren.

Een publieke sfeer vraagt om permanente zorg en toewijding – van iedere burger. De Grieken realiseerden zich maar al te goed dat ze er zuinig op moesten zijn. Vandaar dat een pedagogische leerschool vereist was; burger werd je niet zomaar. De eerste filosofen waren dan ook met name opvoeders. Ze waren het erover eens dat je je diende te oefenen in de deugden. Alleen door te handelen, een leven lang, kreeg je die in de vingers. Natuurlijk zijn er tal van goede eigenschappen te bedenken maar de oudheid kende maar vier kardinale deugden: verstandigheid, matigheid, moed en rechtvaardigheid. Dit pedagogische kwartet was doordrenkt van een publiek ethos. Wat zou een deugd als moed bijvoorbeeld waard zijn als de gevolgen ervan door niemand werden gezien?

De klassieke notie van ‘beschaving’ met de bijbehorende deugden zijn eeuwenlang doorgegeven, en kreeg in het Duitsland van de negentiende eeuw de naam Bildung. Dit woord wordt vaak ten onrechte vertaald met onderwijs. ‘Bildung’ betekent echter veel meer dan cognitieve vaardigheden zoals rekenen en taal bijbrengen. Heel de mens wordt aangesproken, niet alleen zijn intellect. Zijn hele persoon moest worden klaargestoomd voor een evenwichtig bestaan in de wereld. ‘Vorming’ zou daarom een betere vertaling zijn. In de loop van de twintigste eeuw kwam deze notie terecht bij leraren die via leeslijsten op school hun leerlingen massaal wisten te binden aan het oude beschavingsideaal. Behalve een algemene dienstplicht bestond er een algemene leesplicht. Dat betekende niet dat iemand pas beschaafd was als hij zich door de gehele canon van de westerse beschaving had heen geworsteld. Als richtinggevend beginsel was die leesplicht echter onbetwist.

Maar net zoals de dienstplicht werd ook de leesplicht een herinnering aan voorbije tijden. Dit proces begon in de negentiende eeuw. Toen kondigde Friedrich Nietzsche de laatste mens aan: die bekommerde zich alleen om zijn ‘pretje voor de dag en zijn pretje voor de nacht’; engagement met de publieke zaak was hem vreemd. De trotse en zelfbewuste burger uit de oudheid was verschrompeld tot een benepen bourgeois, slechts bezorgd om zijn eigen materiële welzijn. Met de kardinale deugden kon hij niet uit de voeten, die kwamen hem volstrekt vreemdsoortig voor. Hier werden de contouren van de hedendaagse consumptiemens zichtbaar.

In de loop van de twintigste eeuw werd zijn profiel duidelijk door de opkomst van massamedia. De commerciële televisie stond het de laatste mens toe ‘gewoon zichzelf te zijn’, moedigde dit zelfs aan. Ze werkt volgens het eenvoudige stramien van de directe behoeftebevrediging: kijkers hebben verlangens en de programmering is er op gericht deze te stillen. Succes verzekerd: je hoeft er alleen de televisie voor aan te zetten. Door in te spelen op dit mechanisme van acute behoeftebevrediging appelleren de programmamakers aan het dierlijke in de mens: het beest gaat per direct op zoek naar voedsel als het honger heeft.

Brood en spelen, daar zitten de mensen op te wachten. Voorbeelden daarvan zijn er in overvloed, maar één van de treffendste is nog steeds de Jerry Springer Show. De problemen waarover de gasten kwamen vertellen waren ondergeschikt aan het vooruitzicht dat ze aan het eind van de show met elkaar op de vuist gingen. Het publiek reageerde niet met afkeuring (zoals de beschaafde mens zou doen) maar vond het prachtig en hitste de opgewonden deelnemers op (‘Jer-ry! Jer-ry!’).

De mens die zijn leven inricht rond de onmiddellijke bevrediging van zijn behoeften voelt niets voor een actief burgerschap. De politiek is er dan uitsluitend om de eigen wensen te faciliteren. Het gevolg is een pervertering van de oorspronkelijke betekenis van het publieke domein. Dat komt braak te liggen. Eeuwenlang gold dat dit van niemand in het bijzonder was en daardoor een klein beetje van ons allemaal. Inmiddels is ‘publiek’ vooral een kwestie van wie betaalt. Deze kwalificatie staat min of meer synoniem voor ‘publiek gefinancierd’, dat wil zeggen: betaald met belastinggeld. Deze enge definitie heeft ertoe geleid dat zorg voor openbare ruimtes is uitbesteed; de eigen verantwoordelijk ervoor wijst men af. In plaats van te redeneren dat iedereen mede-eigenaar van dit domein is omdat men belastingen afdraagt, versterkt deze fiscale transactie juist de idee dat onze parken, pleinen en straten weliswaar vóór iedereen, maar ván niemand zijn. Deze attitude manifesteert zich in de rommel die na een hete zomerdag in het Amsterdamse Vondelpark wordt achtergelaten. Waarom zelf opruimen als daar schoonmaakdiensten voor bestaan?

Wat is de consequentie van deze diagnose? Moet de overheid haar dienstverlenende taken opgeven? Het Vondelpark aan zijn lot overlaten? Nee, zij heeft hierin wel degelijk een taak. Zij moet de publieke orde bewaken. Dat wil zeggen: zorgen voor veiligheid in de breedste zin van het woord. Natuurlijk moet de overheid in de gedaante van de politieman optreden als iemand zich niet aan de wet houdt. Wil het tot een ontmoeting komen in het publieke domein, dan moeten mensen allereerst de straat op durven.

Maar voor een gezond openbaar domein, voor werkelijk burgerschap is een veiligheidsgarantie alleen niet genoeg. De verhuftering zal er nauwelijks door afnemen. Daarvoor moet de overheid meer doen dan zeggen wat niet mag als iemand in de fout gaat. De corrigerende tik bespeelt hetzelfde deel van de mens als de commerciële televisie, namelijk diens dierlijke inborst. De politieman zegt weliswaar: ‘Ho, nu ga je te ver’, terwijl de commerciële televisie zegt ‘Toe maar, geef toe aan je behoeften’, maar beide leggen niet uit waarom. Het zijn geen redeneringen, alleen maar geboden. ‘Leef je uit’ is even zo goed een gebod als ‘dit mag niet’.

Burgerschap doet daarentegen een beroep op het redelijke deel van de mens. Dat bestaat in een politiek ethos, een besef dat een publiek domein essentieel is voor onze democratie. Een hedendaagse variant van de klassieke deugdenleer. Maar is dit geen nostalgisch getheoretiseer van een reactionair? Nee, want door een aantal actuele ontwikkelingen, zoals de multiculturele samenleving, maar ook door emancipatie, blijkt meer dan ooit hoe belangrijk een gezonde publieke ruimte eigenlijk is. Een moderne herinterpretatie van de klassieke deugdenleer is niet hetzelfde als verlangen naar een collectieve identiteit van weleer, maar biedt juist de moed en de verstandigheid om te kunnen omgaan met de pluriformiteit van vandaag. Een eerste moedige daad begint dan ook bij politici, die niet halfhartig hun oren laten hangen naar een simplistisch verlangen naar éénduidigheid, maar die trots zijn op de publieke ruimte omdat daarin het verschil mogelijk is.

Juist die trots impliceert verbondenheid, maar niet ten koste van alles dat anders is.

Met diezelfde trots moeten onze hedendaagse publieke fora worden beschermd, en daarbij doel ik vooral op de televisie en de mogelijkheden van het internet om een nieuw burgerschap te ontwikkelen. Is dat geen ijdele hoop? Op het eerste gezicht faciliteren deze media vooral de hufterigheid: een bezoek aan één van de vele internetfora leert dat een discussie al snel uitmondt in woeste scheldpartijen. Van een debat met uitwisseling van argumenten is nauwelijks sprake. Deze ontremming is maar één zijde van de medaille, de andere zijde biedt aanleiding tot voorzichtig optimisme. De nieuwe media bieden namelijk ook ongekende mogelijkheden de agora van 2500 jaar terug te revitaliseren, maar nu op megaschaal. De Atheense polis kon alleen bestaan dankzij een beperkt aantal burgers; televisie en internet hebben de potentie de omvang van de publieke sfeer geweldig op te rekken.

Dat internet hiertoe in staat kan zijn blijkt uit het zogeheten burgerinitiatief, dat sinds 2003 bestaat. Via deze mogelijkheid kunnen burgers zelf op de verschillende bestuurlijke niveaus een thema op de politieke agenda plaatsen. Deze optie is uitdrukkelijk niet bedoeld om individuele klachten aan de orde te stellen; ze vormt geen koevoet ter realisering van de eigen wensen. De eis dat een dergelijk initiatief door 40.000 burgers moet worden ondertekend, geeft dat ook wel aan. Zonder internet zou het burgerinitiatief een wassen neus zijn, want maar weinig organisaties zijn in staat zo veel mensen aan te spreken. Maar mét het internet heeft het in zich tot een machtsfactor van betekenis uit te groeien. Op Wikipedia is dan ook al een aantal burgerinitiatieven te vinden.

Iets dergelijks kan ook de televisie bewerkstelligen, en dan bedoel ik niet de commerciële, maar de publieke televisie. In het huidige bestel zal dit niet lukken: dat herinnert nog aan het verzuilde Nederland waarin de verschillende groepen zich opsloten in hun eigen ideologie. Televisiezenders waren instrumenten om identiteitspolitiek te bedrijven, en dat zijn ze in feite nog steeds. De NMO voor de moslims, de EO voor evangelisten enzovoort. Dit type pluriformiteit – verschillende ruimtes waarbinnen elke levensbeschouwing haar eigen visie kan uitdragen – staat diametraal tegenover het ideaal van de agora, dat juist één ruimte wilde bieden aan alle burgers opdat verschillen in woord en daad tot uitdrukking konden komen. De Britse BBC komt nog het dichtst in de buurt van een eenentwintigste-eeuwse uitvoering van dit antieke model. Volgens de eigen statuten wil het een ‘brede waaier aan onderscheidende programma’s en diensten voor iedereen bieden, vrij van commerciële belangen en politieke vooroordelen.’ Dat klink pretentieus maar dat durfde het klassieke beschavingsmodel ook te zijn.