Verborgen bisnis

Het nieuwe prostitutiebeleid heeft jongenshoeren ondergronds of naar internet gedreven. Hulpverleners hebben geen zicht meer op hen. „Met een foldertje bij de dokter kom je er niet.”

Een beschonken man van in de vijftig hangt aan de bar van The Music Box. Hij pakt een jonge Roemeen bij de oren en geeft hem een flinke smakkerd op zijn wang. De jongen, rond de twintig en hetero, laat het geïrriteerd toe. Het is bisnis, zoals prostitués het zelf noemen. Er moet gegeten, gedronken, geslapen en vaak ook geslikt of gesnoven worden.

De kroeg in de Paardenstraat, een zijstraat van het Rembrandtplein, is de laatste plaats in Amsterdam waar mannen zich openlijk aanbieden voor betaalde herenliefde. Zes jaar geleden was dit een berucht prostitutiegebied. Sommige homokroegen profileerden zich openlijk als prostitutiebar. Andere lieten prostitutie oogluikend toe. Zoals de ‘afhaalchinees’, waar je Aziatische mannen kon oppikken.

Totdat de politie steeds vaker binnenviel en de illegale prostitués oppakte. De kroegbazen vreesden voor hun horecavergunning en wezen de mannelijke hoeren de deur. Behalve The Music Box. Ook al kon die haast wekelijks, standaard op donderdagavond, op een bezoekje rekenen van de politie.

Volgens de barman is het de laatste tijd rustig. De Roemeense prostitués, de enigen die hier hun diensten nog aanbieden, verblijven sinds 1 januari legaal in Nederland, al mogen ze nog steeds niet werken. Ontspannen hangen er twee tegen de gokkast. Af en toe lopen ze naar één van de mannen aan de bar om een drankje te bietsen. Andere jongens, allemaal zo rond de twintig, proberen in gebrekkig Engels een geanimeerd gesprek te voeren met klanten. Manu is er vanavond niet bij. Misschien zit hij bij een van zijn vaste klanten met wie hij zijn bisnis regelt via zijn mobiele telefoon.

Ook de seksclubs voor homo’s gingen de afgelopen jaren één voor één dicht. Telde ‘homohoofdstad’ Amsterdam in 2000 nog vijf bordelen voor homo’s, zes jaar later is alleen nog Boys Club 21 in de Spuistraat over. En wie wordt tegenwoordig nog op het Centraal Station door schandknapen benaderd?

Jarenlang was het CS de spil van de betaalde mannenseks, met aantrekkingskracht op heel Nederland. Sinds de schoonmaakacties tegen drugsgebruikers, eind jaren negentig, wordt het tippelen en oppikken niet meer gedoogd. Hetzelfde geldt voor steden als Den Haag en Rotterdam. Camera’s dringen door tot in de laatste donkere hoekjes van stations.

Het in 2000 ingevoerde prostitutiebeleid, bedoeld om de positie van prostitué(e)s te verbeteren, bracht grote verschuivingen in de sector teweeg (zie kader). Er ontstond een wit en een zwart circuit. Alles wat zich buiten de scherpe lijnen van het witte circuit bevond, zoals escort, tippelen buiten de gedoogzones en jeugdprostitutie, werd aangepakt.

Er is veel onderzoek geweest naar de effecten van de wet voor vrouwelijke sekswerkers. Een bepaald deel is erop vooruitgegaan, een ander deel juist niet (zie kader). Er is nauwelijks studie gedaan naar hoe het de drie- tot vijfduizend mannelijke hoeren is vergaan. Bestuurskundige Frank Weijnen gaf met zijn afstudeeronderzoek naar de Amsterdamse situatie een eerste aanzet. Volgens hem is de mannenprostitutie door het nieuwe beleid grotendeels uit het publieke domein verdwenen. Cameratoezicht, intensieve surveillance, notoire overlastgevers van de Wallen weren, controle van identiteitspapieren en vergunningen maken het sekswerkers praktisch onmogelijk in het openbaar klanten te zoeken.

Maar waar zijn de prostitués dan gebleven? „We kunnen ervan uitgaan dat de vraag van homoseksuele mannen naar betaalde seks niet is veranderd”, zegt Weijnen. „En vraag schept aanbod. Mannenprostitutie verdwijnt niet zomaar.”

De kwetsbaarste groep is die van de Oost-Europese illegalen. In Amsterdam alleen al ontvangt opvang AMOC jaarlijks zo’n 175 nieuwe jongens. Ze zijn zonder uitzondering naar Nederland gekomen om op legale wijze geld te verdienen voor thuis. Als het kan, breken ze het liefst een muurtje weg of witten ze een plafond bij mensen thuis. Als er geen werk is, het geld opraakt en hun gezinnen thuis in de problemen komen, bieden ze betaalde seks aan.

Neem Manu (24). Hij kwam een half jaar geleden op aanraden van een vriend met een toeristenvisum naar Nederland. Hij wilde zijn geld verdienen met muziek maken, maar er moest wel gegeten worden. Zijn reismaatje nam hem mee naar The Music Box. In tegenstelling tot zijn lotgenoten schaamt hij zich niet voor zijn werk. „Het was moeilijk om mee te beginnen. Ik ben gewoon hetero. Ik doe niets wat ik niet wil doen. Nu is het simpel geworden. Raar misschien, maar niet moeilijk meer.”

Lastiger is het om uit handen van de politie te blijven. Telkens weer zegt Manu dat hij bang is opgepakt en uitgezet te worden. Hij wil voor geen goud terug naar Roemenië. „Ik heb daar niets. Deze stad, Amsterdam, is voor mij gemaakt. Feesten, vrijheid en kansen op een beter leven.” Manu heeft zich lang vastgeklampt aan de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie op 1 januari, omdat hij nu legaal in Nederland mag verblijven.

Naar dat moment hebben ook maatschappelijk werkers Bart de Louwere en Ron Leendertse van inloopcentrum voor Oost-Europese prostitués AMOC uitgekeken. De angst voor uitzetting weerhoudt de Roemenen ervan de juiste hulp te zoeken. Vooral de medische verzorging is een probleem. Ron Leendertse: „Ze gaan echt niet uit zichzelf naar de GGD als ze last krijgen van een soa, ook al is de behandeling gratis. Alles wat naar gezag of overheid riekt is superbedreigend, dus blijven ze veel te lang met een soa rondlopen. En wat gebeurt er straks met hun vrouw als hij weer naar huis gaat?’’

De mannen die bij AMOC binnenlopen, worden af en toe met z’n allen naar de GGD gebracht. Verpleegkundigen controleren hen daar op soa en open tbc. Eens per maand komen verpleegkundigen bij AMOC langs om te testen op soa en in te enten tegen hepatitis B. Daarnaast geven maatschappelijk werkers informatie over preventie van soa. Onwetendheid over seks leidt tot risicovolle situaties. Ron Leendertse: „Seksuele voorlichting is niet bepaald standaard in Oost-Europa. Over homoseks wordt al helemaal niet gesproken. Wij vertellen in klare taal hoe ze veilig kunnen vrijen: geen sperma in de mond of in de kont. Dat begrijpen ze wel.’”

Het grote taboe op homoseksualiteit is ook een reden dat mannen niet snel naar de dokter stappen. ‘Pinto’ (29) maakt ostentatief duidelijk dat hij geen prostitué is en zeker geen homoseksueel. „Bewijs het maar. Ik ben nog nooit in mijn kont geneukt”, roept hij verbolgen. Hij doet zijn bezigheden in The Music Box af als making small business with men.

Cultureel antropoloog Paul van Gelder doet al jaren onderzoek naar mannenprostitutie. Hij begeleidde Weijnen bij zijn afstudeerstudie. Van Gelder schaart Oost-Europeanen en asielzoekers onder wat hij gelegenheidsprostitués noemt. Ze zijn uit op het snelle geld, dikwijls om een verslaving of het eerste levensonderhoud te bekostigen. Ze werken vaak illegaal en zijn doorgaans heteroseksueel. „Deze mannen proberen op een nog redelijk nette manier aan geld te komen. Ze zijn aangewezen op openbare plaatsen of het homo-uitgaansleven om met klanten in contact te komen.”

De verslaafden en daklozen hebben zelden een mobiele telefoon. Die wordt verpatst. En de illegalen missen dikwijls weer de vaardigheden om via internet te werken. Sommigen hebben nog nooit een toetsenbord van dichtbij gezien. Of ze spreken geen Nederlands of Engels. Daarmee blijven ze verstoken van een veilig platform om hun diensten aan te bieden.

Met het repressieve optreden van de politie en de verdrijving van het Centraal Station zijn de jongens aangewezen op het hapsnap werk in de marge. De drugsverslaafden verdwenen uit het circuit. Die hebben zich weer toegelegd op andere bronnen van inkomsten: misdaad dus.

Ook de groep prostitués die volgens Van Gelder echt wat van hun werk probeert te maken, is geconfronteerd met de effecten van de prostitutiewet. Ze bouwen een netwerk op van klanten en collega’s en trachten voor zichzelf zo gunstig mogelijke werkomstandigheden te creëren. Deze groep heeft massaal zijn heil op internet gezocht.

Voor de 26-jarige Jeroen uit Amsterdam is zijn site www.s-cort.com de enige manier om in contact te komen met klanten. „De Wallen zijn alleen voor vrouwen, transseksuelen en travestieten. De clubs in Amsterdam zijn bijna allemaal dicht en op straat wil je ook niet zijn.” Toen Jeroen rond zijn zeventiende professioneel in de escort ging, verruilde hij de chatboxen en msn voor een eigen website. Hij investeerde in foto’s en advertenties en zorgde dat veel homosites naar hem doorlinken.

Het grote voordeel is dat hij veilig kan werken. „Ik vertel op mijn site precies wie ik ben, wat het kost, wat ik wel en niet doe. Dat geeft duidelijkheid voor de klant. Voordat ik afspreek, wil ik een telefonische bevestiging, met nummerherkenning aan. Zo kun je bepalen of die ander oké is.” Jeroen opereert als zelfstandige en zegt netjes btw af te dragen.

Jeroen is niet de enige. Volgens Rob Janmaat staan er alleen al op zijn escortsite www.boys4u.nl 2.808 mannen geregistreerd. Zeven- tot tienduizend bezoekers komen dagelijks even rondsnuffelen in het aanbod. Veel van de profiles zijn nep of dubbel, maar het geeft volgens hem wel aan hoe groot de populariteit van het net is. De site is in oktober 2002 gestart en heeft inmiddels vertakkingen in het hele westen.

Janmaat merkt dat hulpverlening en voorlichting de verschuivingen in de markt niet heeft bijgehouden. „Dit jaar kregen we voor het eerst een verzoek van Prostitutie Maatschappelijk Werk (PMW) in Rotterdam of we naar hen konden doorlinken. We willen best doorverwijzen, maar vaak is er niets om de mensen naartoe te sturen. Ook kunnen we best een mailing naar al onze klanten doen over gezondheidsinformatie, maar dan moet er wel een verzoek daartoe komen. Het is niet onze taak om hulpverlenertje te spelen.”

Ook Jeroen ziet dat de hulpverlening achter de feiten aanholt. „Er zijn wel sites met voorlichting, maar het internet is oneindig groot. Je moet dus wel aan promotie doen. En dat kost geld.” Voor de professionele sekswerker is de afwezigheid van online hulpverlening volgens hem geen probleem. „Voor al die jongens die een beetje bijklussen wel. Die moet je actief benaderen. Met een foldertje bij de dokter kom je er niet.”

De hulpverleners zien dit probleem ook. Maar met de aandacht voor mannenprostitutie is ook het geld verdwenen. Veldwerk, in de echte en de virtuele wereld, is er niet meer bij. Ron en Bart van AMOC noemen zich schamper ‘de Laatsten der Mohikanen’. Ze proberen wel mannen op internet te benaderen om ze te wijzen op de noodzaak van veilige seks, maar daarvoor krijgen ze nauwelijks tijd en geen subsidie.

Frank Weijnen, de bestuurskundige, bevestigt dit beeld. „Bij mijn onderzoek heb ik hard moeten zoeken naar mensen die meer over mannenprostitutie konden vertellen. De GGD Amsterdam weet niks van buiten de muren van hun instelling. Niet alleen is onbekend wat op straat gebeurt, ook internet is een blinde vlek.” Een woordvoerder van de GGD bestrijdt dat zijn instelling het zicht op de mannenprostitutie is kwijtgeraakt. Maar hij beaamt dat de scene enorm is veranderd en dat het tot nu toe niet lukt om aansluiting te vinden.

Ook in Rotterdam is met de verschraling van de hulp veel kennis verdwenen. Coördinator Suzanne Kern van PMW krijgt al dertien jaar mannelijke hoeren over de vloer. Maar ze kan niet vertellen hoeveel prostitués in haar stad rondlopen. Bij de laatste telling, door Van Gelder eind jaren negentig, waren het er vijfhonderd. Destijds kwamen er per week zo’n veertig man op het gezondheidsspreekuur, tegenwoordig zijn dat er in een goede week vijf.

Volgens Van Gelder zou er weer een plek moeten komen waar de mannen ongestoord kunnen werken en waar de hulpverlening ze kan vinden. Frank Weijnen ziet meer heil in hulpverlening op internet. „Als de laatste prostitutiebar verdwijnt, komen ook de laatste prostitués in de escort terecht. De hulpverlening zal zich dan vooral op internet moeten richten.”

Voor het zover is, leven de Roemeense mannen toe naar het jaar 2009, wanneer ze legaal in Nederland mogen werken. Dan kunnen ze gewoon weer plafonds witten.

‘Pinto’ bekent dat hij vurig hoopt op een nieuwe kans. „Ik doe dit werk al zes jaar. Het is moeilijk. Ik wacht al zo lang op die ene kans. Dat ik een goede baan krijg en veel geld verdien. Dat ik in Roemenië kan laten zien dat ik het heb gemaakt.” Soms, zo zegt hij weifelend, is hij bang dat de kans al aan hem voorbij is gegaan. „Misschien heb ik niet goed opgelet. Ja, daar ben ik wel eens bang voor.”