Tussen vleesonthouders en vleesverslinders

Zonder een God die zich aan hem openbaart, heeft de mens zijn bevoorrechte plek in het universum verloren en staat hij niet meer boven de andere levende wezens. De vraag komt dan op waar de mens het recht vandaan haalt om een ander gelijkwaardig levend wezen te doden en op te eten. Een steeds grotere minderheid vindt dat mensen dat recht niet hebben en vandaar de groei van het aantal mensen, ook in liberale kringen, dat vlees eten mijdt, of zich er geheel van onthoudt. De meerderheid van volhouders verslindt daarentegen steeds meer worsten en filets, zoveel als ze kunnen betalen. Geen vlees of veel vlees, daartussen is weinig.

Sommige fundamentalistische vleesonthouders willen hun voorkeur aan anderen opleggen, desnoods met geweld. Mensen kunnen best gezond blijven zonder inname van dierlijke eiwitten. Is vlees eten dan geen moorddadige hobby van een soort die zijn overmacht op andere soorten misbruikt?

Daar is een argument tegen in te brengen. Als mensen en dieren op hetzelfde plan staan, moeten de eersten zich ook als de laatste kunnen gedragen. Knobbelkiezen en snijtanden hebben de mens voor het eten van (andere) dieren uitgerust. Veel andere levende wezens zijn ook geen vegetariërs. Waarom zou de mens dan de enige omnivoor op de aarde moeten zijn die zich van vlees moet onthouden? Waarom zou de beer wel een konijntje mogen verschalken maar de jager niet?

Wie dit argument wil bestrijden, moet aan de mens toch een boven het dier verheven status toekennen, namelijk die van het ‘redelijke beest’, dat wil zeggen een sterveling die zijn heerschappij op de aarde dankt aan een groter verstand dan dat van andere levende wezens. Anders dan andere omnivoren kan de mens op zichzelf reflecteren, en ook zijn mate van vleesconsumptie zelf bepalen.

De morele vraag of de mens wel of geen vlees mag eten is niet definitief te beantwoorden. Het is een geloofsartikel. Dieren hebben geen rechten, ze kunnen die niet zelf formuleren, ook niet stemmen of een advocaat in de arm danwel voorpoot nemen. Mensen hebben wel de verplichting om niet nodeloos wreed te zijn tegen dieren. Helaas wordt die verplichting vaak niet nagekomen. Dieren worden in veel te benarde omstandigheden gehouden, ook in Nederland, en elders ronduit uitgeroeid. Ook sentiment kan wreed zijn. Sommige beheerders van natuurparken laten herten die geen natuurlijke vijanden hebben liever langzaam van honger een ‘natuurlijke’ dood sterven dan hen met een enkel schot uit hun lijden te verlossen.

Het beest met verstand kan zijn leven beteren. Een batterijkuiken verdient een langer leven dan de vijf en een halve week die het nu worden gegund. Bedreigde diersoorten moeten worden beschermd. Tussen veel vlees of geen vlees lonkt het redelijke alternatief van de matigheid.