Transgene zalmen worden in het wild niet zo enorm groot

Zalmen zijn erg flexibel – ook de genetisch gemanipuleerde. Er is bezorgdheid dat voor de commerciële kweek gecreëerde ‘monster’zalmen ecologisch flink tekeer kunnen gaan als ze ooit in het wild terecht zouden komen. Maar bij onderzoek onder nagebootst natuurlijke omstandigheden blijkt zo’n nieuw ras een dubbele persoonlijkheid te hebben. In de natuur groeien ze anders dan in kweekbakken niet uit tot de reusachtige vreetmonsters die alle andere leven ondergraven (Proceedings of the National Academy of Sciences, 6 maart).

Medewerkers van het Canadese Centre for Aquaculture and Environmental Research, Fisheries and Oceans in West Vancouver vergeleken onder verschillende condities de gewone wildvorm van Cohozalmen en een transgene variant met een flink hogere productie van groeihormonen. De Coho-zalm (Oncorhynchus kisutch) is een Pacifische zalmsoort. De vissen leven vooral in kustwateren maar ook wel in zoet water. Sinds 1966 komen ze ook voor in de Grote Meren, maar daar wordt de stand kunstmatig hooggehouden voor sportieve hengelaars.

Vissen van de snel populair wordende transgene variant hebben een verhoogde productie van groeihormonen. Bij de intensieve standaard opfokmethode worden ze indrukwekkend groot: driemaal zo lang als hun wilde soortgenoten, en tot vijfentwintig keer zo zwaar – met een snelheid die ze aantrekkelijke kweekvissen maakt voor de voedselmarkt. De zalmen werden vanaf het uitkomen of onder standaard kweekmethoden – hoge bezetting, veel standaardvoer – grootgebracht of in nagebootste natuur. Dat was die van een mooi ingerichte bergbeek, met lichte visbezetting en gevarieerd prooidierenaanbod.

Als in de kweekbakken groot uitgegroeide genetisch gemanipuleerde zalmen in natuurlijke omstandigheden gebracht werden hadden zij na een veel sterker ‘predatie-effect’ dan de gewone vorm – zelfs bij compensatie voor het grootteverschil. Maar het verhaal wordt anders als de dieren van jongs af aan ‘natuurlijk’ leefden. De genetisch gemanipuleerde vissen aten weliswaar iets meer, maar bereikten als volgroeide vis hooguit twintig procent meer lichaamslengte. En het verschil in predatie-effect was eveneens sterk gereduceerd.

Frans van der Helm