Sanremo

Poggio, zou er een mooier woord zijn voor een geliefde? Je klimt, je daalt, je breekt, je valt op de Poggio. Wat moet je anders? Eeuwen van wijsheid, vergletsjerd in een bult in de zon. Cultuur versus pedaalslag. De Poggio blijft heersen: wanhoop is de hoeksteen van de samenleving.

Sommigen denken dat Milaan-Sanremo een prostaatklassieker is. Glamourgedoe. Je moet al heel oud zijn om nog de noblesse van de Primavera in je op te zuigen, als epicentrum van een leven, van een liefde. Ik zou niet anders kunnen, want ik ben heel oud. Maar wat zou sport anders zijn dan de Poggio en de Cipressa. Anders dan een continuïteit van liefde, voor voorvaderen? Van Milaan-Sanremo, als bestorven mythe? Van verlangen, naar ongeduld. Milaan-Sanremo: 100 jaar oud. Dat wil zeggen: 100 jaar lente. Doe mij daar maar een Nederlander bovenop, kom daar maar eens om, in de politiek en in de industrie, bij Fokker en de Hema, bij de PvdA en de VVD. Lente? Rita Verdonk zou niet weten hoe het eruit ziet, maar ze doet prachtig alsof. Kuisheidsgordels met elkaar, Rita en Mark – er is geen streep aan het einde.

Milaan-Sanremo is de meest arbeideristische klassieker van het wielerseizoen. Terwijl de bourgeoisie geilt als vanouds. Feminien in plas en was, in dromen en garderobe. In plaatsvervangende schaamte.

Ook renners zijn kopziek tot in de anus, ja zelfs van een esthetische naïviteit. Zeg maar: frame- en bidongeluk. Prachtig, zo vroeg in de lente.

Geschiedenis is helaas niet meer des volks. In 1907 namen drieëndertig renners de start in Milaan. Voor een wedstrijd over 288 kilometer. De sukkels haalden een gemiddelde van 26 kilometer per uur. De Fransman Lucien Petit-Breton won na meer dan elf uur koers.

Heiligschennis, uiteraard.

De schoonheid van Milaan-Sanremo is de schoonheid van Italië. Een flou artistique, alleen geknecht door grenzen, niet door culturen. In Italië kun je nog kennis maken met een goedaardig nationalisme. De benen van Paolo Bettini, de schim van Alfredo Binda, zij zijn sowieso van de natie. Wat niet is bestaat tóch. Milaan- Sanremo is per definitie Fellini. Schemer, jurken, schimmel en broodkruimels op de flanken van de Turchino, en daartussen jongens met appetijt om mooi te zijn en te overleven.

Het gekkenhuis Milaan-Sanremo.

Dat vond de Belgische wielrenner Nick Nuyens ook. Hij zei dat het een ‘kutkoers’ was. Alles vlucht, alles alleen maar vlucht. Vertaald heet dat: pedaleren in het ijle. Zo hoort elke klassieker te zijn: doodgaan per samba. In een vlucht naar nergens heen. Sterven op de Poggio, en toch glimlachen naar de ultieme video. Zit mijn bril wel goed?

Milaan-Sanremo de mooiste klassieker van het jaar. Niet eens om het landschap, vooral om de definitie van het prerogatief: de eerste zijn. De eerste klassieker die er echt toe doet.

Nederlanders hebben helaas weinig met Milaan-Sanremo. Zij rijden toch liever de Ronde van Zeeland. Geknecht als ze zijn naar de eigen bloemen en fanfare. Het unieke verlangen om thuis te zijn, desnoods op een aflopende tube.

Wat zou de dubbele nationaliteit van Paolo Bettini zijn? Milaan-Sanremo, de Ronde van Lombardije, het WK, voor je het weet, ben je van een land met ander licht. Bastaard in de zon. Bettini rijdt deze Milaan-Sanremo met een gebroken rib. Wie doet het hem na? Een gebroken rib als excuus, bij Oranje kom je het niet tegen, en ook niet in de Woutertapes.

Toch bestaat het, in de wielersport. In Milaan-Sanremo. Alles kan, alles vergaat, maar Milaan-Sanremo blijft bestaan. Als een klassieker zowaar. Extreme zadelkunst.

In 1960 werd de Poggio als klim van het ultieme ontwaken ingevoerd. Vergeefse moeite. Een kleine tweehonderd renners razen vandaag de Poggio over. Met gemak. Zij zijn de bult allang voorbij, in hoofd en lichaam. Hoezo Poggio? Ook op de Cipressa moet je fietsen.

Een Nederlander die Milaan-Sanremo wint, het is zelfs niet de bedoeling van Rabobank, een team met Oscar Freire in de spits. Milaan wordt steeds meer buitenland en de Rabo is steeds meer binnenland. Doe maar de Ronde van Zeeland, voor de consumenten.