Recht op een dutje

1387

Na zes jaar de dagindeling van 23.681 mannen en vrouwen te hebben bestudeerd, zijn Griekse geleerden tot de conclusie gekomen dat een middagdutje van een half uur het risico van een hartaanval met 37 procent doet verminderen. Als dat geen wetenschap is, weet ik het niet meer. Ik kreeg het bericht van een bevriende zijde die het weer op de BBC website had gelezen, The News in 2 minutes van 13 februari. Nog een bijzonderheid: werkende mannen kunnen door een dutje hun risico zelfs met 67 procent verminderen. En dr. Dimitrios Trichopoulos, die verbonden is aan de Harvard School of Public Health, verklaarde: „In landen met een lage sterfte door coronaire ziekten, is de siësta gebruikelijk.”

Ik twijfel niet aan de wetenschappelijke grondigheid van dit onderzoek; ik verbaas me alleen over het aplomb waarmee oud nieuws wordt gebracht. Sinds mensenheugenis gaat tussen twee en drie uur ’s middags meer dan de helft van het Iberisch schiereiland onder zeil. Toen omstreeks de jaren tachtig de Amerikanen diep onder de indruk waren van de economische groei in Japan en nader onderzoek naar de oorzaken deden, ontdekten ze dat in de kantoren en fabrieken daar faciliteiten voor de slaapbehoeftigen waren ingericht. Er waren zelfs bedrijven waar de siësta verplicht was.

Ook dat heeft me toen niet verwonderd. Hoe kwam dat? Ik veroorloof me een stukje autobiografie. Op mijn zeventiende verjaardag kreeg ik van mijn moeder voor mijn kamertje een nieuw vloerkleed, dik, zacht, donkergroen. Een paar maanden later, terwijl ik mijn huiswerk zat te maken, om een uur of half drie, werd ik overvallen door een geweldige slaap. Zonder er verder over na te denken ging ik op dit kleed liggen. Om kwart over drie werd ik wakker. Verkwikt is zwak uitgedrukt. Herboren. Zo is het begonnen.

Ik maakte er een gewoonte van, en zoals we weten: lichaam en geest wennen aan gewoonten. Anders gezegd: de gewoonte wordt gedomesticeerd en als het zo ver is raak je eraan verslaafd. Onder de meest onverwachte omstandigheden ben ik omstreeks half drie in slaap gevallen: in dienst terwijl we les in de theorie van het bren-machinegeweer kregen, bij een sollicitatiegesprek, in de bioscoop, op de redactie achter mijn schrijfmachine. Zacht snurken. Toen kreeg ik op de krant een eigen kamer met een bank. Ik maakte een bordje: SLAPEND MENS, dat ik iedere middag omstreeks half drie op de deur plakte. Onder de collega’s trof ik een lotgenoot. Op een dag kwam hij binnen, met desperate blik. „Mag ik straks ook even op die bank?” Vanzelfsprekend.

De tijd werd rijp om op de ervaring een theorie te bouwen. Zo heb ik, ook al lang geleden, het Structureel Strategisch Slaap Syndroom, het SSSS beschreven. Ik kan dat stukje niet meer vinden maar het komt hierop neer. De werkende mens begint om een uur of negen aan zijn dagtaak, of hij het leuk vindt of niet, vijf dagen per week. Als hij er zin in heeft, kost het hem energie, als hij er de pest aan heeft ook. Altijd. Dan breekt de middagpauze aan. Hij eet zijn broodje, drinkt zijn koffie of een bekertje melk en laat zich betrekken in het sociaal verkeer. Dat alles gaat ook niet zonder energie. En dan gaat hij weer aan het werk.

Intussen heeft de lunch de maag bereikt. Daar begint het verteren, waardoor meer bloed naar de maagwand stroomt. Dat wordt aan de hersenen onttrokken. Het resultaat is dat deze mens zich doezelig gaat voelen, zijn oogleden worden zwaar, misschien begint hij een beetje te knikkebollen, wordt daardoor dan weer volkomen wakker en beseft dat hij slaap heeft. Hoewel hij over het algemeen niet met tegenzin werkt, krijgt hij nu door het totaal van zijn lichamelijke en geestelijke toestand een diepe weerzin tegen zijn toetsenbord en beeldscherm, of zijn machine, of zijn gereedschap. De curve van zijn arbeidsproductiviteit vertoont een scherpe daling.

Naarmate de middag vordert trekt het weer wat bij, maar de toppen van de ochtend worden niet meer gehaald. Zo gaat het iedere dag weer, bij duizenden, misschien wel honderdduizenden werknemers. In het SSSS zijn de verschijnselen van de siëstabehoeftige bij elkaar gebracht. Op grondslag daarvan wordt de simpele remedie gegeven. Iedere werknemer heeft structureel recht op een middagdutje. Dat hij er zelf van opknapt, is zijn zaak. Maar het is vooral bedoeld als een strategische maatregel tot verhoging van de arbeidsproductiviteit.

En nu het merkwaardige. Werkgevers, ondernemers, bazen doen steeds harder hun best om het strategisch dutje zoveel mogelijk te verhinderen. Voor een verkwikkend slaapje van een half uur heb je een zekere mate van privacy nodig. Je kunt het personeel niet om half drie en masse naar een slaapzaal commanderen. Het is een persoonlijke zaak. De een kan het niets schelen en gaat gewoon onder zijn bureau zitten, de ander sleept zijn stoel naar een schemerige nis, enzovoort. De mogelijkheden daartoe worden steeds beperkter.

Eerst kreeg je de kantoortuin waar al het personeel in een grote ruimte, versierd met een paar palmen en fuchsia’s, was samengedreven. Maar er waren in ieder geval hoge kasten waarachter je je aan de blikken van het collectief kon onttrekken en muren waarop je met plakband een versiering kon aanbrengen. Deze kantoortuin bleek niet meer dan een fase. De binnenhuisarchitectuur van het kantoor streeft naar meer transparantie. Dus: zoveel mogelijk glas. Deuren, muren, desnoods plafonds, alles van glas. En minder kasten. En lagere en kleinere kasten, want meer bergruimte geeft alleen maar meer rotzooi.

Architecten en bazen beseffen niet dat dit soort inrichting tegen de elementaire behoeften van het personeel en de ontdekkingen van de medische wetenschap indruist. Versuft en te vroeg verlaten de werknemers ’s middags de kantoren. Geen middagdutje kunnen doen betekent aantasting van de arbeidsproductiviteit en een gevaar voor de volksgezondheid.