Probeer niet kwijt te raken wat botst met je zelfbeeld

Wat we naar de periferie van onze waarneming hebben verdrongen, moet weer in het centrum komen zodat we ons opnieuw verantwoordelijk voelen voor het lot van medemensen. Dus ook voor gevangenen en vluchtelingen.

Leon Heuts

Redacteur Filosofie Magazine.

Ik wil tegenover dit ongedierte niet de naam van mijn broer uitspreken, en daarom zeg ik alleen: wij moeten proberen het kwijt te raken.” Aan het einde van het verhaal De Gedaanteverwisseling velt Grete het vonnis over haar broer Gregor Samsa. Zoals bekend begint deze novelle van Franz Kafka met de ontdekking van vertegenwoordiger Gregor, bij het wakker worden, dat hij is veranderd in een gigantisch insect. Geen opbeurend begin, maar de tweede metamorfose in het verhaal is nóg beklemmender. Dat is de verandering van de jonge Grete, die aanvankelijk nog compassie toont voor haar broer – ze brengt hem regelmatig te eten nadat hij door zijn vader de slaapkamer is ingejaagd – maar uiteindelijk oordeelt dat het „ondier” moet worden „kwijtgeraakt”.

Het is natuurlijk altijd ellendig als een meisje zich afkeert van haar broer. Maar hier is het een regelrechte nachtmerrie, omdat de argumenten om het te doen zo overtuigend zijn. Het gezin Samsa is beschaafd, en wil dat zelfbeeld graag in stand houden. Gregor moet uit het gezin worden verwijderd om vol te kunnen houden dat de rest niet aangetast is. De beslissing is dus gebaseerd op een rationele afweging, maar de gevolgen zijn dramatisch: Gregor, in zijn hart nog altijd mens, wordt volledig ontdaan van menselijke kwaliteiten. De rede kan blijkbaar beestachtige, onmenselijke consequenties hebben.

Dat de rede in haar uiterste consequenties irrationeel kan zijn, weten we sinds Robespierre, Mao en Stalin. Zij wilden de mens bevrijden uit religieuze, traditionele, en feodale verhoudingen – kortom uit alles wat niet gefundeerd was door de rede – met ongekende terreur als gevolg. Hoe komt dat? Juist haar universele en onbetwistbare karakter maakt de rede kennelijk zowel aantrekkelijk als gevaarlijk. Ze levert overtuigende argumenten waarom de mens zich zou moeten ontdoen van zijn door traditie ingegeven of religieuze vooroordelen, maar tegelijkertijd dreigt het gevaar dat alles wat niet aan rationele criteria voldoet, moet worden aangepast, verwijderd of zelfs vernietigd – of dat de Franse adel betreft, klassenvijanden of politieke dissidenten.

Humanisme en liberalisme zetten in het Westen een rem op zulke excessen. De uit het liberalisme voortvloeiende democratische cultuur, met haar checks and balances, burgerrechten en erkenning van minderheden, hoeft niet zo snel een goelag te openen. Maar de mógelijkheid van ontsporingen is daarmee nog niet van de baan. Het gevaar van de onredelijke rede blijft namelijk bestaan. Haar universele reikwijdte dwingt telkens tot een oordeel over de vraag wie redelijk is en wie onredelijk. Alleen, wie velt dat oordeel? Welke instantie is bevoegd, of spreekt het morele Esperanto dat nodig is om onbevooroordeeld een beslissing te kunnen nemen?

Dit zijn cruciale vragen, zeker nu westerse naties hun militaire optredens niet slechts rechtvaardigen met het beschermen van het eigen belang, maar ook uit naam van de rede, vrijheid en rechtvaardigheid. Dat maakt de inzet hoog: wie pretendeert te handelen uit naam van een universele rede, maakt van zijn tegenstanders meer dan slechts tegenstanders. Ze zijn vijanden van de rede. Ze kunnen bijvoorbeeld deel uitmaken van een ‘as van het kwaad’, die het redelijke deel van de wereld bedreigt.

Het probleem voor westerse landen is de vraag: wat nu als zij niet die onbevooroordeelde rechters en executeurs zijn die ze pretenderen te zijn, maar naties met ordinaire, mondiale machtsbelangen? Hoe ver zouden ze dan gaan om de pretentie te handelen namens de rede overeind te houden? Wie kijkt naar een aantal actuele excessen, ziet hoe ver. Tegenstanders worden op een ‘humane’ manier ontdaan van menselijke kwaliteiten om de eigen redelijkheid vol te kunnen houden. Het is – net als bij Grete – een rationele beslissing, maar met beestachtige, inhumane gevolgen.

Guantánamo Bay is zo’n exces. De VS beschouwen de gedetineerden op die marinebasis niet als krijgsgevangenen, en ze vallen volgens Washington dus niet onder het reguliere internationale recht. Dat is een gotspe, want dat internationale recht, waaraan ook de VS zich gebonden weet, geldt volgens de Geneefse conventie van 1949 overal waar een gewapend conflict plaatsvindt of waar militaire tegenstanders zijn gedetineerd. Het internationale humanitair recht kan dan ook heel goed worden opgevat als een juridische uitwerking van de universele rede. Het recht belichaamt de morele plicht dat we ons nooit kunnen overgeven aan willekeurige bruutheid.

Voor de gedetineerden van Guantánamo Bay betekent dit dat ze het recht hebben op een eerlijk en openbaar proces voor een onafhankelijke rechtbank of internationaal tribunaal. De Amerikaanse regering is echter allerminst van plan de gedetineerden een normale rechtsgang toe te staan en verdedigt dat op een curieuze manier: de gedetineerden zijn unlawful combattants. Daarmee wordt gesuggereerd dat volgens het internationale humanitair recht de gedetineerden onwettig zijn. Dit is een pervertering van het oorlogsrecht, uit politieke motieven. Maar het is belangrijk om in te zien dat het Witte Huis dat niet doet uit bruut primitivisme. Het is eerder een tactiek om juist niet in het beklaagdenbankje te komen van het internationale recht waaraan men zich heeft gecommitteerd.

Wat formeel onmogelijk is, blijkt zo in de praktijk wel degelijk te kunnen: een machtige natie oordeelt op grond van de autoriteit van het oorlogsrecht dat aan gedetineerden geen rechten toevallen. Dit is zo kafkaësk als het lijkt: datgene waarop iemand zich altijd moet kunnen beroepen – het oorlogsrecht – is de oorzaak van het feit dat hij zich nergens op mag beroepen: je bent immers onwettig. De gevolgen zijn funest; zoals Gregor is afgesneden van de Samsa’s, zijn de gedetineerden in Guantánamo Bay afgesneden van de menselijke familie.

Voor de gedetineerden heeft dit alles niettemin één pluspunt, zou je kunnen zeggen. Een humaan land als de VS maakt hen niet dood, zoals elders wel volop gebeurt. Niettemin dreigt Guantánamo Bay te verworden tot een experiment in pressiemethodes waarbij geen bloed vloeit. De ‘humane’ martelmethode is niet: de gedetineerde tot pulp slaan, maar: hem de slaap ontzeggen, seksueel te vernederen (zoals in Abu Ghraib tegen de regels gebeurde), te boeien in hurkhouding of angst aan te jagen met honden. Ze mogen overigens wél vijf keer per dag bidden – want de VS hechten waarde aan religieuze rechten. Fundamentalisten doen niet zoveel moeite om hun humane zelfbeeld op peil te houden: die snijden je de keel door, of blazen je op.

Dat de gevolgen voor de gedetineerden zo funest zijn, heeft alles te maken met de universele geldigheid van het oorlogsrecht. Alle goede bedoelingen ten spijt; als het wordt misbruikt – en die kans is in de echte wereld nu eenmaal groot – zijn de consequenties verstrekkend. Het vereist namelijk een excessieve vorm van uitsluiting om mensen daadwerkelijk buiten een universele ordening te plaatsen. Er is wat dat betreft een verband tussen Grete’s kwalificatie van Gregor als Untier en de gedetineerden die tot unlawful worden verklaard: beiden zijn iets niet: Gregor is een on-dier, en de gevangenen zijn onwettig. Waarom noemt Grete haar broer niet gewoon een dier, maar een ‘ondier’? Omdat ‘dier’ niet voldoet. Gregor gaf zich voor zijn transformatie niet over aan lage, dierlijke driften. Hij is rationeel en uiterst plichtsbewust, zelfs als insect probeert hij zich nog op te richten om te gaan werken. Is hij dan toch een mens? Aanvankelijk behandelt Grete hem menselijk, maar uiteindelijk is dat te confronterend. Een pijnlijk zelfonderzoek van het gezin zou dan onafwendbaar zijn geweest: hoe kon dit ons overkomen? Daarom mag Gregor geen mens zijn. Gregor is ook geen dier, maar een onbenoembaar gedrocht. Die stap is noodzakelijk om zonder schuldgevoel de handen van hem af te kunnen trekken en het humane gezicht te redden.

Het is een mooi staaltje zelfbedrog; zó succesvol dat het na de dood van Gregor is alsof hij nooit heeft bestaan.

Dat doet weer denken aan de genadeloze typering van de verlichte rede door Theodor Adorno en Max Horkheimer als een ‘radicale mythe’. Op het eerste gezicht lijken mythe en Verlichting weinig met elkaar van doen te hebben, maar de rede heeft zijn eigen mythe: dat de aardse verwezenlijking van utopische idealen binnen handbereik ligt. Volgens Adorno en Horkheimer – die overigens niet ‘tegen’ de Verlichting zijn, maar waarschuwen voor een onkritische interpretatie ervan – heeft dit tot gevolg dat alles wat zich niet schikt naar redelijke normen, verdacht en zelfs bedreigend wordt. Totalitaire regimes hanteren vervolgens de botte bijl. Liberale samenlevingen prefereren andere technieken: ontkenning en verplaatsing naar de periferie.

Het huidige vluchtelingenbeleid is daarvan een voorbeeld. Het verschijnsel ‘vluchteling’ bedreigt ons humane zelfbeeld. Dat heeft alles te maken met mensenrechten, de kroonjuwelen van de westerse beschaving, die echter ook een nieuw probleem scheppen. In Homo Sacer: sovereign power and bare life laat Giorgio Agamben zien dat het lot van mensenrechten samenhangt met dat van moderne natiestaten. Dat wil zeggen: alleen binnen zulke staten kunnen mensenrechten worden gerealiseerd, in de vorm van burgerrechten.

Die koppeling aan de natiestaat druist in tegen de stelling dat mensenrechten vooraf behoren te gaan aan elke politieke ordening, en dat ze toekomen aan ieder individu, op basis van geboorte. Zo lang dat individu probleemloos als burger geïdentificeerd kan worden, is er nog niets aan de hand, maar juist bij vluchtelingen is dat niet evident. Veel uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland zijn én geen Nederlands staatsburger, én kunnen niet worden uitgezet naar een land dat hen wel als burger erkent. Juist voor hen zouden universele mensenrechten bescherming moeten bieden: ze zijn immers verstoken van een beschermende overheid en vaak ook van bezit en inkomen. Het enige wat ze hebben, is juist het feit dát ze mens zijn.

Maar een nationale staat die uitgaat van staatsburgerschap, weet zich met hen geen raad, en zo lang supranationale instituties zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een beperkte rol spelen, is het gevolg de ontkennende categorie van ‘illegalen’. Opgeslagen buiten het blikveld, op bijvoorbeeld de detentieboten in de Rotterdamse Merwedehaven. Detentiecentra waarbinnen het onduidelijk is welke rechten nu gelden – zo blijkt uit de maandenlange opsluiting van illegale asielzoekers in Rotterdam zonder dat ze voor een proces in aanmerking komen.

Dit verschil tussen mensenrechten en burgerrechten is niet eenvoudig op te lossen. Eén methode werkt in ieder geval niet: het ontkennen ervan. Toch is dat in het publieke debat vaak de regel. Er is bijvoorbeeld weinig schroom om van ‘nieuwkomers’ integratie te eisen en daarbij westerse waarden als meetlat te hanteren. Er is niets mis met die waarden, maar als nota bene in de Rotterdamse haven diezelfde waarden al worden geschonden, krijgt het integratiedebat trekken van het mythische zelfbedrog van het gezin Samsa na de dood van Gregor.

Het is het soort ontkenning waarin ook oud-minister Verdonk zo sterk was. Steevast omschreef zij haar beleid als ‘humaan’ – ondanks veroordelingen van onder meer het Europees Hof en talrijke waarschuwingen van mensenrechtenorganisaties. Verdonk liet zien welke overdreven maatregelen moeten worden genomen om die humane pretenties overeind te houden, en tot welke onmenselijke gevolgen dat kan leiden. Zo is het niet meer dan menselijk dat een 17-jarige vwo-scholiere, enkele maanden voor haar examen, veel zal doen om haar opleiding af te maken, zelfs zoiets ‘schokkends’ als het aanvragen van een toeristenvisum. Maar dit alleszins begrijpelijke, door en door menselijke gedrag verstoorde het beeld dat Verdonk graag uitdroeg van haar asielbeleid: streng, maar wel humaan en rechtvaardig. Dus werd er gelekt uit het dossier van Taïda Pasic naar De Telegraaf, om zo het meisje publiekelijk als fraudeur aan de schandpaal te nagelen. De boodschap van Verdonk: het beleid is humaan en rechtvaardig, maar als leugenaars als Pasic de regels breken, kan ik er ook niets aan doen. De paspoortaffaire rond Ayaan Hirsi Ali getuigde van eenzelfde rigide rechtvaardiging van het eigen ‘humane’ beleid; er werd weliswaar een sluipweg gevonden om haar het paspoort te laten behouden, maar toch eiste Verdonk publieke excuses.

Dit zijn geen oude koeien. Staatssecretaris Nebahat Albayrak stelt dat bij het uitvoeren van het asielbeleid de „humaniteit de laatste jaren een beetje uit het oog is verloren”. Dat zou het begin kunnen zijn van zelfreflectie, maar bij het woord ‘humaniteit’ is voorzichtigheid geboden. Verdonk heeft namelijk – als een eigentijdse Grete – duidelijk gemaakt dat menselijkheid uit het oog kan worden verloren als koste wat kost het gevoerde beleid als ‘humaan’ dient te worden gezien. We moeten de zaak omdraaien: erkennen dat geen enkel vluchtelingenbeleid, gezien vanuit het oogpunt van mensenrechten, volmaakt humaan kan zijn, om ruimte te creëren voor menselijkheid. Juist omdat het vluchtelingenbeleid nooit humaan genoeg kan zijn, zijn zorg en zorgvuldigheid zo belangrijk.

Dit is dan ook geen pleidooi voor berusting, maar erkenning van een tekort, en juist daarom een voortdurend appèl tot moreel handelen. We zouden ons dan opnieuw verantwoordelijk voelen voor het lot van medemensen. Toegegeven: het zou niet meteen een einde maken aan de ‘opslag’ van mensen in detentiecentra, maar het zou daarvan in ieder geval weer een moreel en politiek probleem maken, in plaats van alleen een vraagstuk van beheersing en uitvoering. Want die laatste, louter technische benadering van het probleem – waarbij efficiency en kostenbesparing voorop staan – leidt onvermijdelijk tot rampen als de Schipholbrand. Het begin van de oplossing is erkenning; datgene wat we naar de periferie van onze waarneming hebben verdrongen moet weer naar het centrum. Dat geldt niet alleen voor het vluchtelingenvraagstuk, maar voor meer kwesties; we moeten omwille van de menselijkheid erkennen dat we niet zo humaan zijn als we ons wanen.

De grootste deugd van de Verlichting is de moed om te twijfelen en kritisch te zijn, vooral ten opzichte van onszelf. We moeten dan ook durven inzien dat we de degradatie van anderen – inclusief andere culturen of religies – niet nodig hebben om ons humane gezicht te redden.