Op zoek naar een spoorlijn

Mevrouw Li spreekt perfect Engels en begeleidt met vaste hand een Australische delegatie.

De studente en ik meldden ons in de marmeren hal van het nieuwe stadhuis, een gebouw van twintig verdiepingen, midden in een kale vlakte. „Bureau voor ontvangst van buitenlanders, derde verdieping”, zei de portier. Een secretaris vroeg ons in een kamer te wachten. „Even rondkijken”, zei mijn begeleidster, een slungelachtig meisje dat Engels studeerde, en ze maakte aanstalten de gang op te gaan. „Geen sprake van”, reageerde ik streng. „We zijn hier te gast, je kunt niet zomaar wat rond gaan snuffelen.” Ze trok een pruillip, ging zitten en begon ongedurig op de tafel te roffelen totdat een eenvoudig geklede vrouw verscheen. Mevrouw Li, het hoofd van de afdeling, die uitstekend Engels sprak.

„Nederlanders hebben hier in de jaren twintig van de vorige eeuw een spoorlijn aangelegd”, begon ik. „Daar wil ik graag meer over weten.” Mevrouw Li fronste haar voorhoofd. „Nee, nee”, zei ze ongeduldig. „Uw landgenoten zijn betrokken geweest bij de aanleg van onze haven en die is gebouwd in de jaren dertig.”

Haar reactie bracht mij van mijn apropos. In Nederland had ik een hele dissertatie over het onderwerp gelezen. De studente naast me monkelde: „Mevrouw Li spreekt beter Engels dan ik.”

„Well”, vervolgde mevrouw Li opgewekt, alsof alle problemen nu achter ons lagen. „We zijn erg blij met de bijdrage die uw landgenoten hebben geleverd aan onze haven en het toeval wil dat er net een Australische delegatie op bezoek is.” Ik zag het verband niet. „We gaan nu lunchen en u bent van harte welkom. Volgt u mij.”

Gehoorzaam stond ik op. In een gang sloot een aantal functionarissen zich bij ons aan. Mevrouw Li en ik gingen een kamer binnen. Ik verwachtte dat de anderen zouden volgen, maar achter ons werd de deur zachtjes gesloten. De studente was verdwenen.

„Kom”, maande mevrouw Li voortvarend. „Ik zal je voorstellen aan de burgemeester van Geelong.” Een zware man in een zwart pak stond op van tafel en schudde me ferm de hand. Ik kreeg een plaats toegewezen naast de cultureel attaché die hem begeleidde. Geelong was de zusterstad van Lianyungang, vertelde hij. Op een plateau in het midden van de tafel draaiden schalen met koude kip, gepekeld vlees en zeewier rond. Jonge vrouwen in rode satijnen jurken droegen vissoep aan, gestoomde krabben en fijne waterkers. Ik realiseerde me dat ik razende honger had en begon te eten. Het kon me niet meer schelen dat er alleen maar over havens werd gesproken en spoorlijnen niet meer aan de orde kwamen.

De capaciteit van de haven van Lianyungang was het afgelopen jaar verdubbeld, leerde ik. Die van Geelong kon moeilijk vergroot worden omdat er woonbuurten in de omgeving lagen. „Dat lossen wij hier op door de woonwijken te verplaatsen”, zei een plaatselijke partijbons en hij hief het glas om met de Australische burgemeester te toasten. Beide heren sloegen hun bier daarna in één beweging achterover. De volgende Chinese gastheer deed hetzelfde, en de volgende ook. De Australische burgemeester vertrok geen spier. „Het vermogen van uw lichaam alcohol te bevatten, is indrukwekkend”, vertaalde mevrouw Li. Zij dronk alleen limonade.

In ons midden was een grote vis komen te staan, bereid met gember en lente-uitjes. Ik pakte een St. Jacobs schelp op met mijn stokjes. „Onze economieën vullen elkaar aan”, hoorde ik de burgemeester zeggen. „China heeft behoefte aan grondstoffen, Australië exporteert die.” Ik was getuige van een ontluikende vriendschap. „En Nederland?” vroeg iemand. „Wij hebben alleen een beetje gas”, moest ik bekennen. „Maar ik kan u ten zeerste de diensten van onze gerenommeerde baggerbedrijven aanbevelen.”

Lief glimlachend brachten de vrouwen meloen en partjes sinaasappel, de maaltijd was beëindigd. „We gaan nu naar een natuurpark”, kondigde mevrouw Li aan. „Dat is voor u misschien ook wel interessant.” Ik knikte, geen haar op mijn hoofd dacht eraan dit gezelschap te verlaten. Die avond was er een diner, had ik gehoord.

Beneden wachtte ons een minibusje. Ik plofte neer naast de cultureel attaché. „Wat doet u hier eigenlijk?” vroeg hij. „Ik doe onderzoek”, zei ik vaag. We volgden de kust, zilte zeelucht woei naar binnen. Toen de chauffeur parkeerde hoorden we beneden de golven op de rotsen beuken. We klauterden naar een strand, de burgemeester kreeg het warm in zijn jasje. „Geweldig land, China”, zei hij. „Wat hier tot stand gebracht wordt, is ongekend.”

Daarna dirigeerde mevrouw Li ons terug naar de bus. „Het volgende programmapunt is een bezoek aan een bedrijf in de nieuwe industriële zone”, zei ze. „Interessant”, reageerde ik. Grote borden gaven aan wat de bouwplannen waren voor het terrein, alleen de fabriek waar wij verwacht werden was voltooid. Achter hoge glazen deuren zag ik in rood neon de woorden: ‘Welcome to the Geelong delegation.’ De burgemeester en de attaché stonden al bovenaan de trap. „Wat maken ze hier eigenlijk?” vroeg ik aan mevrouw Li. „Computeronderdelen”, zei ze. Ik begon al weer trek te krijgen. „Product van de toekomst”, zei ik, en haastte me achter de Australiërs aan.