Nooit achterover leunen

Zondag beginnen in Melbourne de WK langebaanzwemmen. Jacco Verhaeren, technisch directeur van de zwembond en coach van onder meer de titelkandidaten Pieter van den Hoogenband en Marleen Veldhuis, rekent op vier medailles.

Natuurlijk is de gedachte wel eens door zijn hoofd geschoten: zwemtrainer worden in het buitenland. Zeker in een land als Australië, waar topsport serieuzer wordt genomen dan in welk land dan ook. „Wie weet, ik zal het zeker niet uitsluiten. Het is een fantastisch land en de sportbeleving is uniek. Australië heeft één groot nadeel: het is verschrikkelijk ver weg. Verder zie ik alleen maar voordelen.”

Jacco Verhaeren (37) is terug in het land waar hij in het verleden, samen met zijn pupillen Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn, zijn grootste successen vierde, tijdens de Olympische Spelen van Sydney (2000), onder meer met vijf gouden medailles. „De mooiste Spelen die we op zwemgebied ooit hebben meegemaakt”, zegt hij.

Maar tot op heden is Verhaeren, alom beschouwd als één van de beste zwemtrainers ter wereld, nooit in de verleiding gekomen om zijn biezen te pakken voor een avontuur in het buitenland. Al waren er aanbiedingen genoeg. Als Verhaeren thuis is – op zijn ‘kantoor’ in Eindhoven, in het nieuwe, hypermoderne nationale zwemcentrum De Tongelreep – dan telt hij zijn zegeningen. „Ik besef dat mijn werk niet veel mooier wordt dan in Nederland. Ik kan wel roepen dat Australië en Engeland, Duitsland of Frankrijk zo mooi zijn, wat betreft topsportcultuur en financiële mogelijkheden, maar als ik zie wat er in Eindhoven is neergezet, en welke ontwikkelingen er aan de gang zijn bij NOC*NSF, op het gebied van innovaties en onderzoeken, dan heb ik het in Nederland zo slecht niet. Aan de toplaag is Nederland topsportland. Er zullen altijd 101 dingen beter kunnen, maar dat heb je in Australië ook. Hier klagen de coaches ook altijd. De grootste kans is dat ik in Nederland blijf werken. Ik heb het goed naar mijn zin.”

Het lijkt een tegenstrijdigheid in het leven van Jacco Verhaeren. De afgelopen jaren uitte hij regelmatig forse kritiek op de Nederlandse zwemwereld, inclusief zwembond KNZB, omdat veel trainers, bestuurders en zwemmers in zijn ogen te vrijblijvend waren in hun beleving van topsport. Terwijl Nederland de olympische helden bejubelde, zag Verhaeren dat het níet goed ging met het topzwemmen.

„De olympische successen van Sydney en Athene waren eigenlijk te danken aan twee zwemmers”, zegt hij. „De laatste vijftien jaar hebben we zes zwemmers gehad die zich individueel konden meten met de wereldtop: Marcel Wouda, Pieter van den Hoogenband, Kirsten Vlieghuis, Inge de Bruijn, en nu Marleen Veldhuis en Inge Dekker. Maar die verhullen dat het in de breedte helemaal niet goed gaat.”

Dat bleek onder meer bij de vorige WK langebaan, in Montreal (2005), toen Van den Hoogenband ontbrak door zijn hernia en Inge de Bruijn genoot van een sabbatical. De Nederlandse ploeg werd hardhandig ontmaskerd; een zilveren medaille van Veldhuis was het enige succesje.

Maar langzaam vallen de stukjes in elkaar voor Jacco Verhaeren. Sinds een jaar is hij naast zwemtrainer ook technisch directeur bij de bond. „Je kunt wel langs de kant blijven staan en brullen dat het niet goed gaat, maar op een gegeven moment moet je er ook iets aan willen doen.”

Zijn overstap naar de bond kwam Verhaeren bovendien goed uit, want na jaren trainen was hij toe aan een nieuwe uitdaging. „Als ik nu alleen maar zwemtrainer zou zijn, zou ik me gaan vervelen.”

De dubbele baan maakt van Jacco Verhaeren wel een drukbezet man. Zwemtrainingen geven, trainingsschema’s bedenken en video-analyses maken van zijn zwemmers combineert hij schijnbaar moeiteloos met het uitstippelen van beleid op het bondsbureau. „Ik werk alle dagen. Hard werken? Mijn vader was metselaar. Dát is hard werken. Ik raak nooit moe van mijn werk. Het geeft me energie.”

Zijn nieuwe baan heeft hem ook nieuwe inzichten gegeven in de werking van de sport in Nederland. Het bureau van de KNZB is gevestigd in het Huis van de Sport in Nieuwegein, waar tal van sportbonden bij elkaar zitten. Verhaeren komt er drie of vier keer per maand. „Wat mij opvalt is dat er een enorme bureaucratie zit achter de Nederlandse sportwereld. Ongelooflijk. Ik heb er geen oordeel over, het zal wel nodig zijn. Het zit vol met mensen die zich voor negentig procent met administratieve taken bezighouden. Het is onvoorstelbaar. Ik kan wel roepen: bureaucratie – dat zou ik vroeger hebben gedaan. Maar dan zou ik met iedereen een gesprek moeten hebben en vragen: wat doe je nou elke dag?”

Maar dat valt niet onder zijn taken. Wat opvalt aan Verhaeren is een gedrevenheid die lijkt te maskeren dat hij al jaren langs de rand van een zwembad trainingen geeft en tal van successen behaalde. Geen moment van verslapping. Hij leunt nooit achterover. „Scherp blijven is een natuurlijk proces”, zegt hij. „Er zijn periodes, zoals vlak na de Spelen, dat je minder scherp bent. De trainingen gaan door, maar het is meer routinematig. Hoe verder je bent in die olympische cyclus, des te meer je weer gaat nadenken over nieuwe dingen. Er zijn ook mensen die honderd miljoen hebben verdiend, en gewoon doorwerken. Dit is mijn vak, het leukste wat er is. Vanaf mijn veertiende wilde ik al zwemtrainer worden. Ik kan het niet verklaren. Je hebt altijd het gevoel dat het nog beter kan. Als dat weg is, geef ik het op.”

Verhaeren zoekt altijd vernieuwingen en schuwt de hulp van derden niet, integendeel. Dat verklaart mede waarom Verhaeren en Van den Hoogenband, al sinds 1992 onafscheidelijk, nog steeds niet op elkaar zijn uitgekeken. „Ik sta open voor allerlei ideeën. Ik vind het pure onzin dat in het voetbal wordt geroepen dat een trainer na een paar jaar weg moet. Ik laat de zwemmers ook praten met wetenschappers, bijvoorbeeld over techniek. Een sporter moet sterk genoeg zijn om uit te maken welke tip ze gebruiken. Dat werkt heel goed. Ik ga daar niet tussen zitten. Veel trainers zijn bang om in de wielen te worden gereden.”

Verhaeren liet ooit een speciale starttrainer uit Amerika overkomen omdat hij er zelf „niet meer uitkwam” met Van den Hoogenband. Op technisch gebied laat hij zich bijstaan door hydrodynamicus Wieger Mensonides, oud-zwemmer en winnaar van een bronzen medaille op de Spelen van 1960, uit Den Haag. Op het gebied van de fysieke inspanning is zijn grote mentor de Belg Jan Olbrecht, één van de meest gerespecteerde inspanningsfysiologen ter wereld en vooral deskundig op het terrein van lactaten, afvalstoffen die in de spieren ontstaan als gevolg van inspanningen. Verhaeren werkt met hem sinds 1996. „Ik praat zes keer per jaar úren met Olbrecht over de ins en outs van trainen. Dan leg ik een bepaalde trainingsvorm aan hem voor. Dat gaat tot in het kleinste detail. Iedereen heeft iemand nodig die net iets meer in de materie zit. Zo ontwikkel je je als trainer. Je doorziet sneller wat voor type zwemmer je hebt en wat iemand moet doen om tot bepaalde prestaties te komen. Een trainer is geen wetenschapper. Door die samenwerking leerde ik gaandeweg waarom het bij de ene zwemmer wel lukte en bij de ander niet.”

Niets wil hij aan het toeval overlaten. Die niets-ontziende professionaliteit, die hij elders zo vaak mist, verklaart voor het grootste gedeelte zijn successen en zijn aantrekkingskracht op zwemmers. Niet voor niets zijn de afgelopen jaren steeds meer zwemmers naar Eindhoven getrokken; om te kunnen meeprofiteren van de faciliteiten, maar vooral ook van de gave die Verhaeren bezit om goede zwemmers beter te maken. Al is Verhaeren de eerste die zegt dat de zwemmers zelf verantwoordelijk zijn voor hun successen.

Een mooi voorbeeld is oud-waterpoloster Marleen Veldhuis, die een half jaar geleden overstapte van Amsterdam naar Eindhoven, waar ze te horen kreeg dat haar armtechniek niet goed was. Hoewel ze nog nauwelijks gewend was aan haar nieuwe slag zwom ze binnen drie maanden tijden waar ze nog nooit in de buurt was gekomen. Komende week is ze bij de WK favoriet op de vijftig meter vrij.

Juist zijn professionaliteit, het zoeken naar de kleinste verfijningen, verklaarde de woede die uit het Eindhovense kamp opsteeg toen eind vorig jaar bekend werd dat de olympische zwemfinales in Peking in de ochtenduren worden gezwommen, omwille van de commercie: prime time in Amerika. Nog steeds vindt hij het besluit „belachelijk”, maar de zwemmers hebben zich er niet door laten afleiden in de aanloop naar ‘Melbourne’, zegt hij. „Als ik ergens een gelegenheid zie om er iets aan te doen, zal ik het niet nalaten, maar ik ga er niet meer naar op zoek. Ik heb het losgelaten. Het gaat onze voorbereiding op de Spelen ook niet verstoren. We accepteren het, het kan niet anders.”

Wel ziet Verhaeren om zich heen al de gevolgen. „Sommige landen slaan door. De Engelsen zijn met jonge zwemmers elke ochtend om vijf uur gaan trainen. Waar ben je mee bezig? Het gaat averechts werken. Wij gaan ons programma niet te veel omgooien. Je kunt het dag-nacht-ritme niet een jaar lang ongestraft omgooien.”

In Melbourne doet Verhaeren het met een kleine selectie van acht vrouwen en zes mannen. „Bij een EK kun je nog een talent meenemen om ervaring op te laten doen. Maar een WK is pure topsport. Dan neem je niet iemand mee die daar niet thuishoort. Het is niet motiverend als je er helemaal afgezwommen wordt.”

De WK in Melbourne zijn voor hem een succes als vier medailles worden gewonnen. Verhaeren is klinisch in die dingen: Veldhuis staat eerste op de wereldranglijst van de 50 vrij, dus mag ze een medaille verwachten. Van den Hoogenband is tweede op de 200 vrij, Inge Dekker tweede op de 50 vlinder. „Verder hoop ik dat de dames 4x100 vrij een medaille winnen. Verder moet je het nog maar zien. Hoe vervelend dat ook klinkt, een aantal mensen is niet goed genoeg voor dit niveau.”

Van den Hoogenband heeft na de revalidatie van zijn hernia-operatie geen klachten meer. „We lopen weer helemaal op koers. Hij is nog niet in wereldrecordvorm, maar hij zit er wel heel dichtbij.”