Mini doodmaken

Een jonge, geadopteerde vrouw schrijft over haar ervaringen met Nederlandse mannen.

Als ik overvallen word door zelfmedelijden, wat gemiddeld één keer in de veertien dagen gebeurt, ga ik strijken. Een vriendin van me las deze stukjes en zei: „Jezus, het lijkt wel alsof je een überbitch bent, zo ken ik je helemaal niet.”

Dat ben ik ook niet.

Voor mijn vierde vriendje heb ik bijvoorbeeld veel gestreken. Ook dingen die je niet hoeft te strijken, spijkerbroeken, sokken en handdoeken. Hij kwam uit Zuid-Afrika en hij was depressief.

Maar we hielden van elkaar, we gingen samenwonen en we namen een katje tegen de muizen. Mini heette hij. Mijn vriendje was cameraman, hij stond achter de bar en hij repareerde auto’s. Het meest van alles was hij depressief.

De eerste vijf weken ging het fantastisch, maar toen zei hij: „Vind je het goed om vandaag niet naar college te gaan? Ik ben zo verdrietig, je moet gewoon even bij me blijven.” Om de hele tijd naast iemand te zitten die in bed blijft liggen...

Dus ging ik strijken. We woonden klein. Het strijkijzer stond in de keuken en het voeteneind van ons bed kwam uit bij het aanrecht.

Na zes weken kwam het steeds vaker voor dat ik niet naar college mocht, maar ik ging alleen meer van hem houden. En ik ging ook steeds meer strijken. Na acht weken begon mijn vriendje dingen te zeggen als: „Ik ga Mini doodmaken.”

„Doe niet zo raar”, zei ik.

Vanaf die tijd belde hij me om de twee uur op, of hij ging me zoeken en dan weer adviseerde hij me op een andere man verliefd te worden. Het eigenaardige was dat het me niets uitmaakte. Ik dacht: als ik hem gelukkig kan maken, dan ben ik niet voor niets geadopteerd.

De zomer kwam en ik had met drie vriendinnen afgesproken om te gaan wandelen in Schotland. Ik zei tegen mijn vriendje: „Je mag mee, of je blijft hier, maar ik ga naar Schotland.”

Eerst wilde hij niet mee, toen weer wel, niet, en uiteindelijk ging hij toch mee. We zaten al in de trein naar Schiphol en opeens zei hij: „Ik blijf hier. Schotland lijkt me helemaal niets”.

Het leek prima te gaan. Af en toe belde ik hem op, maar hij had gelukkig geen aandrang ons katje of zichzelf te doden.

Ik kwam terug op een vrijdagavond en hij zei: „Ik moet je wat vertellen, ik ben één nacht bij de buurvrouw blijven slapen en nu weet ik het allemaal niet meer.”

„Nou”, zei ik, „dan moet je maar even nadenken tot je het wel weet.” Als het moet, kan ik goed doen alsof ik rustig ben.

Ik wachtte en ik wachtte maar ik hoorde niets. Wel kwam ik hem geregeld tegen in het trappenhuis, want hij was inmiddels bij de buurvouw ingetrokken. En de buurvrouw zelf kwam ik ook vaak tegen en dan zeiden we hallo.

En ik ging door met strijken en dat katje tegen de muizen had ik ook nog altijd. Mensen vragen wel eens of ik het verdrietig vind dat ik niet weet waar ik vandaan kom, maar dat vind ik niet verdrietig.

Ik zie het zo: iedereen heeft tenminste één verdrietig verhaal in zijn leven en dit was het mijne.

Kyung-Soon van Gelder