Mijn kudde wordt met uitsterven bedreigd

„Kosovo is een naargeestige staat geworden, waar permanente terreur heerst tegen de Serviërs”, zegt de bisschop van de door de Albanese meerderheid opgeëiste provincie. Relaas van een zuivering, aan de vooravond van de besprekingen in de Veiligheidsraad over de toekomstige status van Kosovo.

Op het vliegveld van Priština, hoofdstad van de Servische provincie Kosovo, worden Borka Tomic en ik vriendelijk en met een grapje welkom geheten door Albanese douaniers. In de aankomsthal wijst mijn reisgenote me op een felrood uithangbord, waarop staat: „Albanië en Kosovo heten de reizigers van harte welkom”. „Twijfel je er nog aan dat het hier in 1999 ging om het verwezenlijken van de Groot-Albanese gedachte?” spreekt Borka me verontwaardigd toe.

Ik ontmoette haar voor het eerst in Bar Kafka, een door een verlopen Fransman en voormalig Joegoslaven gerunde nachtkroeg in het centrum van Brussel, waar ik sinds vorige zomer ieder weekend zigeunermuziek en Franse plaatjes mocht draaien en tot in de late uurtjes de bar bediende. Borka was ex-Miss Balkan, mannequin, 29 jaar, en de drijvende kracht achter het Serbian Institute for Public Diplomacy. Wat dit laatste was, wist ik toen nog niet, maar Borka nodigde me uit om een keer langs te komen en te praten over ‘de Servische zaak’.

„Ik weet dat jij een boek hebt geschreven over de Balkan”, vertelde ze me daar. „Je bent in Sarajevo geweest gedurende de oorlog, je hebt veel door de Balkan gereisd. Maar waarom heb je nooit geschreven over de Serviërs die zijn achtergebleven in hun benauwende enclaves in Kosovo? Is je interesse voor de regio opgehouden met het afsluiten van het Dayton-akkoord in 1995?”

Intussen bezocht Borka de bar waar ik werkte steeds vaker. Ze bracht Servische muziek mee, organiseerde Balkanfeesten die zo druk bezocht werden dat de mensen op de bar moesten dansen, en ze introduceerde Servisch bier uit Novi Sad dat we voor spotprijzen aan de man brachten. Alles in het kader van een ‘re-branding of Serbia’ zoals ze het zelf noemde. Het opnieuw op de markt brengen van Servië als een gunstige merknaam. Ze had daarvoor nog een master’s degree gehaald in 2003 in Parijs, bij professor Philippe Mihailovic, een Zuid-Afrikaanse modefotograaf van Servische afkomst die familie was van de beroemde aanvoerder van de çetniks die tijdens de oorlog met Tito in de clinch had gelegen. Borka droeg in de weekends gele T-shirts waarop in trotse letters ‘Serbian Brand’ stond geschreven. „Ik heb me tot taak gesteld een ander gezicht van Servië te laten zien”, aldus Borka, „En om Servië te promoten als een boeiend land met veel mogelijkheden.”

De Albanese taxichauffeur aarzelt om ons naar het Servische dorp Gracanica te brengen, hij vraagt een ridicuul hoge prijs voor de tien kilometer die het vliegveld van het dorp scheiden. Halverwege de tocht, als we van Albanees gebied de Servische enclave binnen rijden, stopt de wagen en stapt de chauffeur uit om het taxiteken van zijn dak te halen en het nummerbord van zijn bumper los te schroeven. „Anders lopen we de kans dat er stenen naar ons gegooid worden”, verduidelijkt de man.

Langs de weg ligt de berm overal bezaaid met lege plastic flessen, vuilniszakken, zwerfvuil dat als gelige smurrie met de wind en de turbulentie van de auto’s wordt meegevoerd. Even later stopt de wagen, een Audi 80, voor Motel Dukat in Gracanica. De herberg fungeert behalve als klein hotel ook als vergaderruimte voor lokale politici en zakenlieden. In het restaurant, waar de tv permanent op het Servische turbofolk-kanaal Pink Channel is afgesteld, vergaderen een stel lokale hoogwaardigheidsbekleders met een vertegenwoordigster van de Servische minister van Financiën. De kamers op de eerste en tweede verdieping kijken uit over het episcopale landgoed van bisschop Artemije en het klooster uit de vijftiende eeuw. Het landgoed wordt, behalve door een metershoge stenen muur, beschermd door gewapende Finse en Zweedse soldaten van KFOR, de Kosovo Protection Force van de NAVO.

In de lobby ontmoeten we Mirko Tabakovic, een van de oprichters van Enclavia, een door het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) gesteunde lobbygroep voor Servische belangen in het huidige Kosovo: „Het Albanese volk wordt geconditioneerd en gemanipuleerd door de eigen machthebbers die de massa voorhoudt dat met de nakende onafhankelijkheid alle problemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen’’, zegt Tabakovic. ,,Alle problemen die met armoede, werkloosheid en stagnatie te maken hebben, worden teruggevoerd op het repressieve beleid van Miloševic en het feit dat Kosovo nog steeds een Servische provincie is. Met als gevolg dat het uitroepen van de onafhankelijkheid door iedereen als een conditio sine qua non wordt gezien. Zonder dat de echte redenen van de problemen worden aangepakt.

,,De Albanese agressie wordt daarenboven door de internationale gemeenschap beloond in plaats van bestraft. Als er Serviërs bedreigd of gedood worden, dan is de logica: dat hebben jullie aan jezelf te wijten. Moet je maar voor een onafhankelijk Kosovo zijn. Het is een feit, helaas: de Albanese politici werken niet aan een multi-etnisch, maar aan een etnisch gezuiverd Kosovo. Van de 150.000 Serviërs die na de Tweede Wereldoorlog resideerden in de Lab-vallei, zijn er nu nog duizend over.”

Hoe deze zuivering in zijn werk is gegaan? „Er werden kudden van Albanese boeren op de velden van Serviërs losgelaten die de oogsten opvraten. Bomen van Serviërs werden omgehakt als het winter werd. Vee werd gestolen of doodgemaakt. Serviërs kregen iedere dag telefoontjes met het dringende verzoek hun woning tegen bodemprijzen te verkopen.”

Kort nadat ik haar in Brussel voor het eerst ontmoet had, nodigde Borka Tomic me uit om een persconferentie bij te wonen van de bisschop van Kosovo, Artemije Radosavljevic. De conferentie vond plaats in het 4S-Instituut, een ander Servisch propaganda-orgaan aan een chique boulevard aan de Brusselse zuidrand in de buurt van metrohalte Montgomery. Aan de muur van dit instituut hingen foto’s van gehavende Servische heiligdommen, platgebrande kerken en kloosters, kerkhoven die waren omgewoeld en met granaten beploegd.

Het publiek bestond, behalve uit een keur van internationale journalisten, uit een bikkelharde kern behartigers van ‘de Servische zaak’. De behartigers spraken een geslepen Amerikaans soort Engels, zaten strak in het pak, en er waren veel hapjes en drankjes. Met gepaste vertraging schreed bisschop Artemije de conferentieruimte binnen. Een kleine man, 1 meter 58, zoals sommige media niet nalaten te preciseren, met buitenproportioneel grote bril, een baard die bijna tot zijn navel reikt, een grote amulet rond zijn nek, en een pikzwarte kamilavka (orthodoxe mijter) op zijn hoofd. De pers kreeg van James George Jatras uit Washington D.C. het verzoek de de bisschop te adresseren met de woorden ‘His Grace’. De bisschop zelf sprak geen woord Engels, maar later begreep ik van Borka dat His Grace dit – ondanks zijn opleiding – niet wílde spreken. Engels, dat was immers de taal van Tony Blair en Bill Clinton, de voorvechters van de Navo-bombardementen in 1999 waarbij tientallen Servische heiligdommen in rook en vlammen opgingen.

In een brief die de bisschop zijn gehoor in handen liet drukken, getiteld ‘Word wakker, Europa!’, schreef de kerkleider: „De onafhankelijkheid van Kosovo zal niet het einde markeren van een specifieke Albanese afscheidingsbeweging, maar wel het begin van het uiteenvallen van Europa als een geheel.”

Bijgevoegd was een kaartje van Europa waarop alle regio’s stonden vermeld die separatistische aspiraties hebben: van Vlaanderen en Wallonië tot Baskenland, Trentino, Schotland, Bretagne, Corsica, Koerdistan en Nagorno Karabach.

„Als de Servische provincie Kosovo onafhankelijk wordt, is er een risico op islamitisch terrorisme in het hart van Europa”, hield de bisschop ons voor. „Pogingen om Kosovo los te weken van Servië door begrip te tonen voor Albanese separatisten en vertegenwoordigers van het ‘Blanke Al-Qaeda’ dat op Europees grondgebied zijn jihad komt voort zetten, zal een domino-effect creëren op het continent, en zal andere extremisten ervan overtuigen dat het gebruik van geweld geoorloofd is om politieke doelen te bereiken. Zoals u weet, brengen opgelegde scheidingen van staten altijd ellende en bloedvergieten met zich mee. Is Europa klaar voor nieuwe slachtoffers onder zijn eigen dak? Kosovo is het zieke hart van Servië. Als een hart ziek is, moet het genezen en niet aan stukken gesneden worden.”

De bisschop citeerde, tot besluit, uit het Bijbelse boek Spreuken, 10:8:

„Wie wijs van hart is aanvaardt geboden,

maar wie dwaasheid uitkraamt, komt ten val.”

Ditmaal ontvangt bisschop Artemije van Ras-Prizren en Kosovo-Metohija, ons in zijn episcopale paleis achter de kloostermuren van Gracanica. Een ijzeren poort wordt automatisch geopend.

„De hele provincie Kosovo is de laatste jaren van karakter veranderd”, verzekert de bisschop ons met klem. „Het is een naargeestige staat geworden, waar permanente terreur heerst tegen de Serviërs. Waar sinds 1999 meer dan driehonderd orthodoxe heiligdommen verwoest zijn, terwijl er meer dan vierhonderd moskeeën zijn bijgebouwd – veelal met geld van de Wahabieten uit Saoedi-Arabië. Minister van Binnenlandse Zaken Fatmir Rejepi heeft dit onlangs nog bevestigd in het Kosovaarse parlement. Dit ingeslopen islamitische fundamentalisme dat nu zo aanwezig is in Kosovo, vormt een serieuze bedreiging voor de rest van de Balkan alsmede voor Europa.”

De mobiele telefoon van de bisschop gaat, midden in ons gesprek. His Grace bezit een zeer luxe en duur model, dat bij het spreken geheel in zijn baard verdwijnt. Als het telefoongesprek voorbij is, vraag ik de bisschop of het moeilijk is om, gegeven de politieke situatie, nog voldoende met spirituele zaken bezig te zijn.

„Mijn politieke activisme is een noodzakelijk uitvloeisel van mijn taak als spirituele leider van de orthodoxen in Kosovo”, verzucht de kerkleider terwijl hij zijn gsm voor zich op tafel legt. „Mijn spirituele taak is helaas niet alleen maar een kwestie van bidden, maar ook van overleven geworden. Ziet u, mijn kudde wordt met uitsterven bedreigd. U moet zich voorstellen wat voor bedreigingen we dagelijks te verduren krijgen. Het is niet zozeer de toorn van God die ons treft, als wel de toorn van de Albanezen samen met die van de VS, omdat we in het verleden niet steeds gedaan hebben wat Washington van ons verlangde. Je vindt hetzelfde verzet ook in Irak, Iran, Venezuela.”

Als Kosovo onafhankelijk wordt, zal Artemije dan in die Albanese staat blijven wonen? „Dat is een hypothetische vraag. Wij zijn van mening dat dit niet kan. En als het dan toch gebeurt, dan zal een christelijke natie in het hart van Europa vernietigd worden en kunnen de misdaden jegens de christenen die hier zijn achtergebleven, de vrije loop krijgen. De etnische zuivering van Kosovo door Albanezen die de Serviërs terroriseren is volop aan de gang. Maar Servië zal zich Kosovo niet laten ontstelen. Servië beschouwt Kosovo als de wieg van zijn beschaving. Het concept van een onafhankelijk Kosovo is onacceptabel.”

De volgende dag gaan we op pad met Svetlana Stevic, hoofd van de non-gouvernementele organisatie Majka Devet Jogovica, een humanitaire kerkorganisatie, in een landrover gevuld met broden en pannen soep voor arme Serviërs die in afgelegen gebieden kreperen. We rijden langs de oevers van Gracanica Jezero richting Kamenica en Pomoravlje. Serviërs durven er niet meer te komen om te zonnen of pootje te baden. Het is Albanees gebied geworden.

In het dorpje Nvo Brdo bevindt zich, in een oude loods voor boilers en warmtebuizen, een gaarkeuken. Daar koken drie mannen twee keer per week voor 28 kinderen en 320 dorpsbewoners pannen met soep die ze mee kunnen nemen naar huis in emmertjes van tupperware. De Serviërs, boeren en boerinnen en hun jonge kinderen, die zich rond de landrover en de loods verzameld hebben, zien er allemaal verfomfaaid, verpauperd en vermagerd uit. De ellende straalt van hen af. Enkelen klagen over het oude brood dat ze uitgedeeld krijgen.

Svetlana Stevic vertelt dat de voedselbedeling al vijf jaar lang bestaat. „De enigen die blijven, zijn zij die niet kunnen vluchten. De ouden en de zieken en de armen. Als je de hel op aarde wilt zien, moet je hier rondkijken. Al het vee van de boerderijen is gestolen. Op de velden en de heuvels grazen geen koeien en schapen meer. De boeren die hier nog over zijn, verkeren aan de rand van hun bestaan. Hun oogst wordt systematisch vernield door Albanezen die hun vee laten grazen op Servische velden en akkers. En als de boeren geoogst hebben, waar moeten ze hun producten dan op de markt brengen? De Albanezen willen hun producten niet, of ze kopen ze op voor prijzen waar niets meer aan te verdienen valt. ”

In het dorp Vitina, niet ver van de Macedonische grens, woont priester Svonko Kostic met zijn vrouw, zijn zus en drie kinderen. Vader Svonko is op 12 juli 2000 gewond geraakt bij een Albanese wraakactie. Een voormalig strijder van het UÇK, het Kosovaarse bevrijdingsleger dat vocht tegen het Servië van Miloševic, heeft geprobeerd hem te liquideren. De schietpartij vond plaats vanuit een auto die hem passeerde. „Het gebeurde in Klokot, op St. Pieters Dag. De twaalfde juli, het was zomer. Na de liturgie moest ik naar een begrafenis om daar de dode te zegenen. Er werd op me geschoten vanuit een rijdende auto, als in een Amerikaanse film. Een kogel drong door mijn heup, een andere doorboorde mijn knie.”

Er vielen drie gewonden, mensen die met de pope meereden naar de begraafplaats. De schutters vluchtten. Een passerende patrouille van UNMIK, de vredessoldaten van de Verenigde Naties nam hen alle drie mee naar het hospitaal van de Amerikaanse legerbasis Bondsteel. „Ik ben daar geopereerd en vijf dagen lang behandeld. Ik ken de dader die mij heeft beschoten persoonlijk, Sadat Fejza is zijn naam. UNMIK heeft hem gevangen genomen, maar na een maand weer vrijgelaten omdat wij, de slachtoffers, bij het begin van het proces tegen de schutter zogenaamd verstek zouden hebben laten gaan in de rechtszaal. De chirurg die de kogels uit mijn heup en knie heeft verwijderd, zei dat hij ze voor mij zou bewaren als bewijs. Maar ik heb ze nooit van hem gekregen. De zaak werd geseponeerd.”

De pope laat, in zijn slaapkamer met de deur dicht, de littekens zien die de kogelwonden in zijn lendenen en knie hebben nagelaten.

„Het trieste is dat die Sadat Fejza later nog drie andere Serviërs uit de buurt te grazen heeft weten te nemen. Die mensen kunnen het niet meer navertellen. De drie zijn geliquideerd terwijl ze voor een winkel stonden te praten. Ja, de intimidaties duren nog altijd voort. Dagelijks zijn er bedreigingen, telefoontjes, uitingen van agressie.”

Vader Svonko kijkt bezorgd, terwijl hij opnieuw de odora, een habijt, over zijn kleren aantrekt. „Het is een hoofdzonde om iemand te doden”, mijmert de priester. „Dat is wat de tien geboden me voorschrijven. Begrijp me goed, ik ben tegen geweld. Maar soms... soms is het een zonde om iemand níet te doden... Om het kwaad intact te laten en het voort te laten woekeren.” Er kronkelt een diepe frons over Svonko’s voorhoofd.

„Er zijn enkele Albanezen met wie ik op goede voet verkeer, maar contact onderhouden met deze mensen is moeilijk want de Albanezen willen niet graag met Serviërs samen gezien worden. In groepen zullen ze me altijd negeren of intimideren. Maar als ze alleen zijn, stappen ze soms wel over hun eigen schaduw heen en begroeten ze me vriendelijk.”

In tegenstelling tot het verpauperde, statische leven in de Servische enclaves, is het duidelijk dat het leven in en rond Priština een hoge vlucht genomen heeft. De stad is één grote ongecontroleerde excavatie, een bouwput van een omvang die alleen te vergelijken is met het Berlijn van de jaren negentig. In 1999 telde de stad zo’n honderdvijftigduizend inwoners, van wie zo’n dertigduizend Serviërs. Tegenwoordig lopen de schattingen uiteen van zo’n zeshonderdduizend tot zevenhonderdvijftigduizend inwoners, van wie welgeteld nog maar 143 Serviërs. Volgens Serviërs is dit een bewijs van de etnische zuiveringen die in Kosovo overal aan de gang zijn, volgens Albanezen is het een stap in de goede richting.

De Albanezen die nu in Priština wonen, komen uit alle streken en windrichtingen: uit de dorpen en bergen, maar ook uit Albanië en andere buitenlanden. Niet iedereen is even blij met de nieuwe buren. Azen Bujupi, een acteur die Borka en mij gastvrij ontvangt in de bomvolle Feniks Bar in hartje centrum, en die ons ongevraagd een liter ‘Skenderbeg-cocktail’ aanbiedt, doet zijn beklag: „Er zijn veel boerenpummels in de stad neergestreken, mannen met baarden en vrouwen met sluiers en tien kinderen. Ze spreken een ander soort Albanees dialect, en komen duidelijk niet uit Kosovo. Soms verlang ik naar mijn oude, Servische buren. Maar ja, dit is de prijs die we voor de nieuwe vrijheid betalen.”

Azen is uiterst vriendelijk tegen Borka, die zich eerlijk als Servische heeft voorgesteld. „De meeste Serviërs liegen over hun afkomst als ze hier zijn. Ze zijn bang. Ik ben blij dat jij niet liegt.”

Hebben ze reden om bang te zijn? „Ja en nee. Het lijkt me niet prettig om hier nu als Serviër te wonen. Wat mij betreft zijn de Serviërs weer welkom. Het zou goed zijn voor de culturele samenstelling van de bevolking.”

Is ook Azen een voorstander van onmiddellijk Albanees zelfbestuur voor Kosovo? „Zeker. We worden door Belgrado nog altijd in gijzeling gehouden. We worden gekidnapt door vijf procent van de bevolking.”

Ook op straat wordt deze onvrede geuit. En steeds vaker treft de woede niet alleen de Servische minderheid, maar de hele internationale gemeenschap. Regelmatig worden er demonstraties georganiseerd door de ‘Vetevendosje’-pressiegroep, die spandoeken met zich meedraagt waarop de VN en OVSE worden gemaand om eindelijk op te hoepelen uit Kosovo. Vetevendosje is Albanees voor zelfbestuur. „Ook ik heb genoeg van de manier waarop de internationale gemeenschap ons als stiefkindje behandelt’, schreeuwt Azen boven de luide r&b-muziek uit. Zijn Engels is vlekkeloos. Hij legt amicaal een arm rond mijn schouder. „KFOR heeft hier goed werk verricht, en UNMIK ook. Maar nu is het tijd om het bestuur over te dragen aan de mensen die hier wonen. Hun aanwezigheid rekt nodeloos lang het vacuüm waarin Kosovo economisch en cultureel verkeert. Wat de mensen ook een doorn in het oog is, is dat de buitenlandse waarnemers een veel hoger salaris dan de lokale werknemers krijgen uitbetaald. En ze mengen zich nauwelijks met de lokale bevolking. De economie is hier een puinhoop en de mensen bijten op een houtje, maar de internationale werknemers vertrekken ieder weekend naar Skopje en Thessaloniki om lekker te eten en uit te gaan. Het apartheidsregime van de Serviërs heeft plaatsgemaakt voor het apartheidsregime van de internationale gemeenschap.”

Naarmate het later wordt, verplaatsen steeds meer mensen uit de Feniks Bar zich naar de Boumboum Club, om de hoek. Vlakbij het grote billboard waarop een lachende Bill Clinton en Tony Blair voor hun bewezen diensten in 1999 worden bedankt. In de club is livemuziek te horen van westers getinte rockbands, en hiphop. Ook hier is het hutjemutje, maar het is alleen Albanese jeugd die hier heupwiegend uit zijn dak gaat. Omstreeks een uur of twee in de ochtend neem ik een taxi terug naar Gracanica, op een taxistop die is gevestigd aan het Madeleine Albright Plein.

Het uitgaansleven in Gracanica heeft, vergeleken bij het swingende nachtleven in Priština, een hoog boerenpummelgehalte. In bar Dolce Vita dansen Servische blockheads de two-step op folkschlagers. De jongens dansen woest en met de handen hoog geheven op de etno-beat. De sfeer is die van een ruige wild west saloon. Er wordt Macedonisch bier gedronken, slivovica en cola. De overige jeugdigen van het dorp gaan uit in een omgebouwde boerenstal midden op een akker, waar in plaats van koeien, kippen en varkens, de Servische jeugd onder de hanenbalken brult en krioelt. De plafonds zijn afgedekt met jute, het is er bloedheet en ongemeen druk. De band speelt rock en Joegoslavische evergreens. Ook hier een overdaad aan boerenjongens die allemaal dezelfde kapper en kleermaker lijken te bezoeken. Waar zijn de meisjes? Die studeren, elders in Servië of in Mitrovica – waar zich de enige Servische universiteit van Kosovo bevindt. In de stal stinkt het naar pis, de toiletpotten lopen over en de jongens doen hun behoefte vrijelijk in het open veld.

Er is veel kopieergedrag op de route van Pristina naar de grens van Macedonië. Het ene na het andere glimmende, gloednieuwe motel schiet voorbij en ook het ene na het andere pompstation. Motel Harea, Motel Kedoni, Motel Sefer, Motel Europa. De tankstations dragen namen als Euro Mit, Ega Petrol, Hit Petrol, Power Point. Er zijn er meer dan veertig gebouwd tussen Priština en de Macedonische grens. Dat is één pompstation om de anderhalve kilometer. Volgens Borka zijn de motels en pompstations vooral een dekmantel voor andere activiteiten. Links en rechts flitsen de minaretten van moskeeën in aanbouwvoorbij.

We rijden met de auto naar Strpca, en vandaar omhoog naar het skigebied Brezovica. Er is jarenlang niet meer in deze plek geïnvesteerd, het merendeel van de skiliften verkommert en verroest.

Volgens Ivan Milosavljevic, de eigenaar van Motel Montagne op 1700 meter hoogte, toont dit aan dat de Serviërs ervan uitgaan dat Kosovo sowieso onafhankelijk wordt en dat investeren geen zin meer heeft. Ivan is een man met een getaand gezicht en grijswitte krulletjes. Aan de overkant van zijn tafeltje zit zijn Albanese boezemvriend Rexhep. Ze drinken vinjak – een soort goedkope cognac – en een mengeling van witte wijn en mineraalwater. Uit de computer klinkt Oliver, de Kroatische chansonnier. „Hierboven is Joegoslavië intact”, grinnikt Rexhep. „Beneden is het een zootje.”

Ivan woont het hele jaar door hierboven op de berg. Hij organiseert ’s zomers uitstapjes in de natuur. Paardrijden, bergbeklimmen, vissen, wild life excursions, mountain jogging. Ivan heeft via de Amerikaanse luchtmachtbasis Bondsteel acht paarden op de kop weten te tikken. De paarden werden in 2001 gebruikt door het UÇK om wapens de bergwand over te smokkelen richting Tetovo, waar de Albanese rebellen zich aan Macedonische zijde hadden ingegraven en de steden in het dal bestookten met geweer- en granaatvuur. De paarden, die getraind waren om op eigen houtje hun doel te vinden, waren geconfisqueerd door Amerikaanse bergpatrouilles. „’s Zomers laat ik de paarden aan de toeristen, ’s winters aan de dorpsbewoners in het dal. Dan gaan de dieren op stal.”

Ivan heeft het recht om elk jaar op een bruine beer en vier wilde zwijnen uit de bossen in de bergen te jagen, en te verwerken in gerechten in zijn keuken. Hij prepareert de beesten zelf, en maakt er berenragoût en zwijnengoulash van. Borka en ik eten ervan in zijn restaurant. Het wild wordt geserveerd met ingemaakte groenten, paprika, tomaat, witte kool en gebakken aardappelen. In het motel worden jaarlijks ook misswedstrijden georganiseerd. De mooiste bergbloempjes aan Servische en Albanese zijde mogen er ter keuring over de piste paraderen. De winnares krijgt de titel Miss Daffodil.

Veel buitenlandse toeristen komen er niet meer, Serviërs van buiten Kosovo evenmin. Het publiek bestaat voor negenennegentig procent uit Albanezen die in het skigebied een kijkje komen nemen en een dagje komen skiën. De meesten vertrekken aan het einde van de middag met de auto of bus weer terug naar het dal.

De Serviërs van buiten Kosovo blijven weg, omdat ze heel Kosovo door moeten rijden om hier te komen. „We voelen ons in de steek gelaten door de Serviërs”, zegt Ivan. „Wij leven hier in een totaal afgesloten berggetto. Achter de bergkam bevindt zich Tetovo, het Albanese fort dat de uitvalbasis is van alle Macedonische Albanezen. Achter ons bevindt zich Albanees Kosovo. Iedereen vraagt me waarom ik hier niet wegga. Ben je gek? zeg ik de mensen dan. Ik blijf, al kost het me mijn kop. Deze prachtige bergen zijn mijn lust en mijn leven.”

Bij het vallen van de avond bereiken we het beroemde klooster van Decani, dat als monument is opgenomen op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Ook hier bewaken Italiaanse soldaten van KFOR de ommuurde vesting, die aan alle zijden door Albanese bewoners is ingesloten. De stad Djakovica, die vlakbij ligt, is na de oorlog van 1999 voor honderd procent Albanees geworden. Alle kerken en orthodoxe heiligdommen in de stad zijn met de grond gelijkgemaakt, en verschillende malen is geprobeerd om met granaten, obussen en mortiervuur hetzelfde te bewerkstelligen met het oude klooster van Decani.

In de refter hangt een groot portret van Artemije. De monniken serveren rakija op een lange houten tafel. Een sanseveria groeit stilletjes omhoog in de hoek van de eetkamer. Het vertrek ligt ietwat scheef, het gevolg van een verzakking van de aarde. De vloeren en wanden zijn gemaakt van donker ebbenhout. Aan de muur hangt een oorkonde van de UNESCO waarin het klooster omschreven wordt als een monument in groot gevaar.

In dit klooster wordt wijn gemaakt van de druiven uit Velica Hoca. En rakija, Servische grappa van druivendroesem. Vader Theodosius, de vicaris van Decani en Metohija, wil niet dat het gesprek opgenomen wordt. Theodosius hangt een meer verzoenende koers aan dan de als rigoureus nationalistisch bekendstaande bisschop Artemije, en wil niet dat er heibel ontstaat over zijn woorden.

Borka vraagt hem hoe hij zich tracht te verdedigen tegen de reinvention of tradition and history die overal in Kosovo volop aan de gang is. In Albanese geschiedenisboekjes wordt tegenwoordig onderwezen dat de orthodoxe kloosters en kerken eigenlijk oude Albanese heiligdommen zijn die in de loop van de eeuwen door de Serviërs zijn geconfisqueerd en voor propagandadoeleinden werden gebruikt om de Servische aanwezigheid in Kosovo goed te praten.

„Allereerst spiritueel”, vertelt vader Theodosius met zachte stem. „Verder moeten we meer monniken zien aan te trekken. En moeten we pogen financieel en anderszins zo onafhankelijk mogelijk te worden, zodat we ongeacht de situatie in staat zullen zijn te overleven als volledig omringde enclaves.

,,Als we geen Servische aanwezigheid houden, hier in Kosovo, dan is alles voor niks geweest en zullen we als christenen hier nooit meer iets kunnen bereiken. Die ijver van de Albanezen om de geschiedenis naar hun hand te zetten, is behalve feitelijk onjuist ook ronduit gevaarlijk. Het verspreiden van dit soort leugens doet de wederzijdse haat oplaaien en het onbegrip, dat toch al zo groot is, nog toenemen.”

Wegens verontwaardigde internationale reacties, onder meer die van Timothy Garton Ash, een goede vriend van vader Theodosius, is de Albanese regering in Kosovo gedwongen geweest om te ontkennen dat de geschiedenisboekjes op last van de regering dit soort dwaze claims fabriceerden. In een door de VN opgesteld Memorandum staat nu duidelijk vermeld dat de Servische orthodoxe kerk van oudsher aanwezig is in Kosovo. Haar eigendomsrechten over de heiligdommen worden erkend en vastgelegd werd dat het kerkelijk hoofdkwartier van de Servische ‘pravoslavi’ in Belgrado is gevestigd.

Ook Martti Ahtisaari, de speciale VN-gezant die volgende week zijn definitieve voorstel over de status van Kosovo zal voorleggen aan de Veiligheidsraad, heeft deze bepalingen van het Memorandum expliciet overgenomen in Annex 5, het gedeelte dat gaat over de bescherming van de rechten van de Servische minderheid in Kosovo.

Theodosius: „Onze omgeving is voor honderd procent Albanees, dat kunnen we niet meer ontkennen. Geen enkele priester kan het klooster nog verlaten zonder bescherming van KFOR of UNMIK. Annex 5 geeft ons veel rechten en garanties, we moeten blij zijn met het plan. Binnen de kloostermuren zijn we volledig onafhankelijk. Maar er zijn helaas veel kapers op de kust. Een invloedrijke Albanese zakenman, Fiorian Kresaici, probeert almaar de grond aan te kopen waarop het klooster en zijn aanverwante eigendommen zijn gebouwd. Hij wil op ons terrein een marmergroeve laten bouwen, en een fabriek voor het bottelen van mineraalwater. De dienst Protection Zone Regulation heeft hier vooralsnog een stokje voor kunnen steken, maar het feit dat de koop van Kresaici niet kon doorgaan, leidde tot demonstraties tegen de aanwezigheid van ons klooster. De situatie is zeer ontvlambaar.”

In de wagen van pope Petar Ulemek rijden we verder naar Pec, waar we een familie teruggekeerde Serviërs willen bezoeken. Een van de twee families die in deze stad op instigatie van UNMIK uit Servië naar hun geboortegrond zijn teruggekeerd. Als we de stad binnenrijden, wordt onze auto er met lege blikjes en stenen bekogeld.

Een meute volgt ons als we naar het huis van de familie lopen. Er wordt geroepen, gefloten, gesist. Vader Petar blijft er volstrekt kalm onder en doet of hij niks hoort. De Servische familie blijkt het huis in de binnenstad alweer te hebben verlaten en naar Belgrado te zijn teruggekeerd. Op een bord in het park staat geschilderd: No Negocujate en Self Determination Now

Iets verderop, in het eveneens beschermde en oogverblindende Patriarchaat van Pec, een van de oudste kloosters van het land, gaan de deuren wel open. Binnen wacht ons een ontvangst van 23 nonnen. De nonnen bieden honing aan. De meesten zijn hoogbejaard.

We worden te woord gestaan onder een poster van de oude stad Jeruzalem, en een portret van patriarch Pavle uit Belgrado. Zuster Dobrila (76) vertelt in het Frans, in een dwingende monoloog: „Iedereen heeft ons verlaten, maar we hebben nog wel het geloof in onze Heer en in het behoud van onze ziel.”

Dobrila heeft slechte herinneringen aan de Nederlandse KFOR-soldaten in Orahovac. Eén van die soldaten heeft ze een Servische vrouw zien mishandelen, waar haar twee kinderen bijstonden. „De Nederlanders haten ons, Serviërs, en die haat uitte zich ook in hun agressieve gedrag jegens ons. Het zal wel met Srebrenica te maken hebben. Hun eigen falen in die enclave, reageren ze af op Serviërs die met de tragedie niets te maken hebben. Voor hen zijn alle Serviërs in Kosovo nationalistische zwijnen.

„De Serviërs in dit gebied zijn allemaal gedoemd om in enclaves te leven. Dat is een ongewenste en vernederende situatie, maar tegelijkertijd is het zo dat we buiten die enclaves niet meer kunnen overleven. De terugkeer van Serviërs wordt systematisch bemoeilijkt of tegengehouden door de Albanezen. Dat is onze grote tragedie. Als kloosterlingen leven wij altijd afgesloten van de buitenwereld achter hoge muren en in stilte. Wij zijn het gewend. Maar wat zijn kloosters zonder volk om te dienen? Wat is een herder zonder kudde? Ik zeg het u: wij zijn als een piano zonder snaren. Er komt geen goed geluid meer uit ons. Wij zijn de laatste priesters, de laatsten der Mohikanen op de Kosovaarse prairie.”

Voor we de terugreis naar Brussel aanvaarden, vervoegt Borka Tomic zich in Dolce Vita, het café van Gracanica, om daar een laatste ontmoeting te beleggen met Mirjana Miladinovic, directrice van de modeschool Dom Kulturna. Afgelopen zomer heeft ze, samen met twee modecoryfeeën uit Parijs, een modeshow georganiseerd voor de meisjes van middelbare scholen in de gemeente. Borka zette een netwerk voor Europese modellen op, die de Servische meisjes onderwezen in het lopen over de catwalk en het samenstellen van een eigen collectie. „We noemden dat evenement ‘De flakkerende kaars van de hoop in het Donkere Hart van Europa’. De modellencursus heeft de meisjes van Gracanica weer wat kracht en hoop gegeven. Het biedt hun, net als de orthodoxe religie waar ze serieus mee bezig zijn, waardigheid.”

Borka laat foto’s zien van het defilé van afgelopen zomer. De jeugd kijkt ingespannen mee. Ze hangen met hun hoofden over elkaars schouders. De scholieren van Dom Kulturna zijn – evenals hun ouders – dolblij dat ze eindelijk even van thuis weg zijn. Dat ze even de sleur van het dagelijks leven in het bedompte Gracanica kunnen doorbreken. Het leven in de enclaves lijkt letterlijk stil te staan als rottend water in een put.

In het vliegtuig terug naar huis gaat de strijd van Borka Tomic onverwijld voort. Ze zit naast een jonge Albanese student Landbouwwetenschappen die met haar discussieert over de afkomst van de Albanezen. „Wij Albanezen zijn afstammelingen van de Illyriërs”, beweert de jongen. „Onze voorouders bevolkten de Balkan al lang voordat de Slaven het gebied koloniseerden.” Borka haalt allerlei historische bronnen aan, waaruit moet blijken dat het verhaal over de Illyriërs afkomstig is uit de grabbelton van romantische Albanese historici die een loopje nemen met de geschiedwetenschap en de archeologie. Als de student het woord ‘Servische minderheid’ laat vallen, springt Borka uit haar vel. Haar lange benen stampen verontwaardigd op de vloer van de cabine. „Hoe kun je als Serviër tot een minderheid behoren in Servië?” houdt ze haar buurman voor. „Kosovo is nog altijd Servisch, vergeet dat niet!”

De eindeloze twist tussen mensen van volkeren die eeuwen zo niet millennia lang buren van elkaar zijn geweest, doet me denken aan een parabel die me eens verteld is door de aartsbisschop van Macedonië, Mihael Gogov Metodija. De kerkleider, van een heel ander kaliber dan de nationalistische en materialistische bisschop Artemije, vertelde het om duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners in Bosnië.

Mihael was vierentachtig. Zijn stem kwam van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. „Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen”, zei Mihael over zijn krijgsarbeid. „Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.”

De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. „De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te doorbreken.” De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkanvloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuid-Slavische bewoners voor te komen.

Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. „Maar denk eraan”, zei God, „alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.” De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. „Ja”, zei de man. „Ik wil dat U mij een oog uitneemt.”

Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten. „Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?” wilde Borka in het vliegtuig van mij weten, nadat ik haar de parabel had verteld. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.

Borka lachte schamper.

„Het is te merken dat je niet van de Balkan komt”, zei ze. „De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij.”

„En jij?”

„Ik zou niet wensen dat mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.”