Klus voor minister Bos?

In antwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Irrgang (SP) ontkende minister Zalm, kort voor zijn aftreden, glashard dat Nederland een belastingparadijs is.

De bewindsman wist wel beter. Ons land figureert prominent in elk internationaal overzicht van belastingparadijzen en het is natuurlijk niet zonder reden dat hier tienduizend brievenbusmaatschappijen zijn gevestigd. Zij doen superzaken: volgens cijfers van De Nederlandsche Bank stroomt jaarlijks 4.500 miljard euro over de bankrekening van de brievenbus-bv’s. Hun directe bijdrage aan de vaderlandse economie bedraagt ten minste 0,5 miljard euro.

Het betreft hoofdzakelijk inkomen van accountants, notarissen, fiscale en juridische adviseurs. Maar ook de horeca pikt graantjes mee, wanneer buitenlandse klanten naar ons land komen voor vergaderingen met hun financiële raadgevers. Bovendien dragen de brievenbus-bv’s jaarlijks 1 miljard euro winstbelasting af ten gunste van de schatkist.

Trustkantoren zitten hier om optimaal te profiteren van de bijna honderd belastingverdragen die Nederland met andere landen heeft gesloten. Bovendien kent ons land geen – elders gebruikelijke – heffing op aan rechthebbenden uitbetaalde rente- en royalty’s. De budgettaire schade voor andere landen door de activiteiten van hier gevestigde brievenbus-bv’s is gemakkelijk het vijftigvoudige van de 1 miljard euro die de nationale schatkistbewaarder incasseert. Aanhoudende kritiek van andere Europese landen, met name Duitsland en Frankrijk, is daarom goed verklaarbaar. Beleidsmakers in Den Haag zijn echter niet van zins een bronheffing op uitbetaalde rente en royalty’s in te voeren, wat Nederland een stuk minder aantrekkelijk zou maken als tussenschakel bij wereldomspannende op belastingbesparing gerichte constructies. Verder plegen ambtenaren van het ministerie van Financiën zich bij verdragsonderhandelingen schrap te zetten om bepalingen te weren, die onze status als belastingparadijs in diskrediet kunnen brengen.

Voorstanders van de huidige situatie benadrukken dat internationale tax planning, het langs legale wegen streven naar maximale belastingbesparing, een kennisintensieve en milieuvriendelijke vorm van economische bedrijvigheid is. Niemand kan het belastingbetalers kwalijk nemen dat zij – binnen de grenzen van de wet en belastingverdragen – proberen hun afdrachten aan nationale schatkisten te minimaliseren. Wanneer overheden hierdoor belastingontvangsten mislopen, moeten zij hun nationale wetgeving en internationale belastingverdragen maar aanpassen.

Theoretisch sluit deze redenering als een bus. Via het maken van bindende afspraken, het liefst tussen een zo groot mogelijk aantal landen, valt grensoverschrijdende belastingheffing doeltreffend te coördineren. Maar in de praktijk hebben landen vaak tegengestelde belangen, wat het dichten van miljardenmazen ernstig bemoeilijkt. Het lijkt bijvoorbeeld uitgesloten dat de lidstaten van de Europese Unie op afzienbare termijn akkoord zullen gaan met een beperking van hun fiscale soevereiniteit bij de belastingheffing over inkomen en winst. De ‘unanimiteitseis’ brengt mee dat slechts 1 van de 27 lidstaten hoeft dwars te liggen om elke voortgang te blokkeren.

Dat is het verdriet van Europa. Enerzijds bemoeien de eurocraten uit Brussel zich met tal van zaken die de lidstaten beter zelf kunnen regelen. Anderzijds laat de Europese Unie het afweten op essentiële terreinen waar een bovennationale krachtsinspanning dringend gewenst is: defensie, bestrijding van het terrorisme, energiebeleid en niet in de laatste plaats de belastingpolitiek.

Zonder Europese samenwerking moet Nederland zijn eigen plan trekken. Ter verbetering van het vestigingsklimaat is het tarief van de winstbelasting met ingang van dit jaar verlaagd tot 25,5 procent. Andere landen proberen ons op dit punt vervolgens weer te overtroeven. Doet Nederland er goed aan bij zijn tarievenbeleid actief te blijven deelnemen aan de race to the bottom? En dient het zijn vooraanstaande rol als belastingparadijs niet te heroverwegen?

Wanneer het tarief van de winstbelasting hier een tikje hoger ligt dan bij de buren, berokkent dat de nationale economie mijns inziens geen onoverkomelijke schade. Dit is geen pleidooi om het tarief van de nationale winstbelasting terug te brengen naar 35 of 40 procent. Een tarief van 30 procent is evenwel goed verdedigbaar.

Hoogstwaarschijnlijk is de economische schade – zeker voor Amsterdam en omgeving – aanzienlijk groter wanneer Nederland maatregelen zou treffen die zijn status als belastingparadijs verlagen. Eén denkbare maatregel behelst de invoering van een bronheffing bij de uitbetaling van rente en royalty’s, zoals in veel andere industrielanden gebruikelijk is. Juist het ontbreken van dit type bronheffing maakt het voor tax planners aantrekkelijk ons land te gebruiken als draaischijf bij grensoverschrijdende belastingbesparende constructies.

Een andere denkbare maatregel is bij toekomstige onderhandelingen over belastingverdragen hun werkingssfeer te beperken in het geval uitbetalingen bestemd zijn voor landen die rente, royalty’s en dividend niet of nauwelijks belasten. Bij deze suggestie past de kanttekening dat andere landen staan te trappelen om onze rol als belastingparadijs over te nemen. De genoemde maatregelen maken dus geen einde aan internationale tax planningpraktijken. Anderen zullen het stokje graag van ons overnemen.

In dit geval wordt Nederland als fiscaal gidsland ontegenzeglijk geloofwaardiger. Daarvoor wordt een prijs betaald: vooral de economie van de hoofdstad krijgt te lijden van een uittocht van trustkantoren en de daarmee verbonden economische bedrijvigheid. Zijn we bereid die prijs te betalen? Mooie klus voor de linksige opvolger van minister Zalm.