Kidnappen is industrie in de Nigeriaanse delta ‘Regering weet van elke ontvoering’

Militanten ontvoerden gisteren een Nederlander in de Niger-delta. ‘Regering en militanten maken gebruik van elkaar.’

Port Harcourt, 24 MAART. - De ontvoering van een buitenlander in de hoofdstad van de Nigeriaanse olie-industrie Port Harcourt heeft een eigen ritueel. Eerst zijn er de politiesirenes die de weg wijzen naar de plaats delict. Dan komen de wegversperringen van leger en politie. Dat zijn hindernissen gemaakt van een paar boomstammen, klerenkasten, bumpers, verroeste autodeuren en al wat doorgaat voor een slagboom. Hier vragen agenten gewapend met machinegeweren iedere passant om een chop, een fooi voor hun inspanningen om de veiligheid in het gebied te garanderen.

Dan volgen de sms’jes, naar de telefoons van de expats, die ze doorsturen naar andere expats. „Veiligheidsalert. Gijzeling in Port Harcourt.” En nog binnen het uur melden zich ook de militanten, om de verantwoordelijkheid voor de gijzeling al dan niet op te eisen.

Zo ging het gisterochtend ook bij de ontvoering van de Nederlandse beveiligingschef van het Duitse constructiebedrijf Bilfinger Berger. De Nederlander verdween na een drie uur durend vuurgevecht op een speedboat in de waterweg achter zijn bedrijf. Kort daarna meldde ene Jomo Gbomo zich namens de Movement for the Emancipation of the Niger Delta (MEND) op de mail. „Wij zijn niet verantwoordelijk voor deze ontvoering. We moedigen freelancers wel aan om zoveel mogelijk werknemers van de olie-industrie te ontvoeren, om wat voor reden dan ook.”

Maar wat is de werkelijke reden voor de ontvoeringen? In het labyrint van kreken en rivieren, waaronder een van de grootste oliereserves ter wereld schuilt, is aan voor de hand liggende motieven geen gebrek. De deelstaten in de delta vormen het thuis van een de armste volken op het continent. Na bijna vijftig jaar oliepompen hebben de meeste dorpen hier nog altijd geen stroom of schoon drinkwater, geen klinieken en geen scholen.

In die dorpen vertellen bewoners over de tijd dat ze hier nog vissen vingen zo groot als een volwassen onderarm, in hetzelfde water dat nu glinstert van de ruwe olie. In die dorpen spreken jeugdleiders als Victor Egbe met woede over de vuurbal in hun achtertuin, en de torenhoge rookpluim die al meer dan dertig jaar over Akala-Olu hangt. De verbranding van het gas dat vrijkomt bij de oliewinning heeft zijn dorp verziekt, zegt hij. „De dorpelingen hebben astma, bronchitis en tal van andere gezondheidsklachten. Dit is terreur. En dat moet met terreur beantwoord worden.”

Het afgelopen jaar ontvoerden militante bewegingen als MEND op deze grond meer dan honderdvijftig werknemers van oliebedrijven en dienstverlenende bedrijven. Pak je de oliebedrijven, dan tref je de regering in het hart is de redenering. „De oliebedrijven en de regering zijn twee handen op één buik”, zegt strijder Ottis, net terug van een maandenlang verblijf in een van de tientallen kampen in de kreken. „Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.”

Aan de vooravond van de verkiezingen op 21 april verhevigen de aanvallen op de oliebedrijven zich, maar blijft de regering opvallend buiten schot. Volgens een staatscommissie verkwiste de federale regering sinds de onafhankelijkheid in 1960 bijna driehonderd miljard euro aan olieopbrengsten. De federale regering schoof de Rivers deelstaat, met Port Harcourt als hoofdstad, vorig jaar meer dan 1 miljard euro toe, een budget dat groter is dan het nationale inkomen van een land als Mali. Volgens een rapport van Human Rights Watch dat vorige maand werd gepubliceerd verdween dat geld naar persoonlijke bankrekeningen van regeringsfunctionarissen.

„Het lijkt alsof dit conflict een gevecht is tussen de corrupte regering en de militanten, maar ze maken dankbaar gebruik van elkaars diensten’’, zegt onderzoeker Anyakwee Nsirimovu uit Port Harcourt. Begin deze maand ontsnapte hij aan een aanslag van straatjongeren, die hem volgens eigen zeggen in opdracht van de regering het zwijgen op moesten leggen. „Er vindt geen kidnapping plaats zonder dat de regering er van weet. Bij overhandiging van het losgeld aan de ‘militanten’ arriveren veiligheidfunctionarissen van de regering vaak als eerste om een deel van het geld in ontvangst te nemen. De regering gebruikt het excuus van de kidnappings om het budget voor veiligheid te verhogen. Intussen verdienen ze miljoenen aan de kidnapindustrie.”

De militanten zijn een creatie van de PDP-regering van vertrekkend president Olusugun Obasanjo. Uit angst dat de partij de macht in de Niger Delta zou verliezen, wapenden ze werkeloze jongeren.

„Nooit eerder was er bij verkiezingen zoveel fraude en intimidatie geweest”, zegt professor Ben Naanen van de Universiteit van Port Harcourt. „De jongens werden er goed voor betaald. Maar toen de geldstroom een paar maanden na de verkiezingen ophield, moest het ergens anders vandaan komen.” De kidnapindustrie was geboren. Het geweld lijkt de regering ook de komende verkiezingen van pas te komen. Uit angst voor ontvoeringen hebben waarnemers van de Europese Unie en Amerika al laten weten niet naar de Delta te zullen reizen.

De ontvoeringen treffen de olie-industrie even hard als de lokale economie. De olieproductie van Nigeria is met meer dan 20 procent gedaald. Vijf jaar geleden was er tweemaal zoveel vraag naar hotelkamers dan aanbod. Nu staan ze voor de helft leeg. Als de deur bij Blues Café, pleisterplaats voor expats, opengaat kijkt een bataljon prostituees hoopvol op. Aan de vier bolle buiken aan de bar valt nauwelijks nog te verdienen. „Vroeger stond het hier ’s avonds helemaal vol”, zegt Ton, een Nederlandse baggeraar. „Nu komen de meeste meisjes niet eens meer.”

Het geweld van de militanten keert zich tegen de eigen achterban en de strijd tegen armoe en vervuiling. Twee uur rijden van Port Harcourt gidst een groep van jongeren gewapend met machetes ons naar een lekkende oliepijp van Shell. Struiken en bomen druipen van de olie. Krabbetjes kruipen door het stroperige zand dat ruim voor het lek is zwart-gekleurd.

Boven de klachten over het misbruik van de Koninklijke Shell, klinkt ineens het geluid van een buitenboordmotor. De reparateurs van het oliebedrijf melden zich in rode overalls. De jongens verwelkomen de mannen met zwaaiende kapmessen. „Het lekt hier al weken. Waarom komen jullie nu pas?”

De voorman van Shell, met de naam God’s Power, sust de boel. Hij is geboren langs een van de kreken verderop. „Zo gaat het overal waar we aan wal komen. Er is een gebied zo groot als Wales waar we helemaal niet meer komen. Te gevaarlijk.” Dienstverlenende bedrijven die dit soort klussen in het verleden voor de oliebedrijven klaarden, verlengen hun contracten niet meer. Angola en Gabon zijn ineens aantrekkelijker. „Er komt een dag dat ook wij hier niet meer komen”, zegt de Shell-voorman. „En wie ruimt de boel dan op?”