Het filosofendebat: het onredelijke van de rede

Regels en moraal zijn traditioneel de instrumenten om het ‘redelijke beest’ te temmen. Maar een teveel aan regels kan ook leiden tot onmenselijkheid. En staat het individualisme van nu niet haaks op moraliteit? De filosofen Harry Kunneman en Ad Verbrugge in debat, onder leiding van Marc Leijendekker.

Het eerste deel van de discussie gaat over de vraag hoe je in een geïndividualiseerde samenleving omgaat met morele vraagstukken.

Kunneman: „Je kunt individualisering niet tegenover moraliteit plaatsen. Dan gebruik je een specifieke betekenis van moraliteit, waarin moraliteit sterk in de richting van de hiërarchische theemutscultuur geduwd wordt. Ik vind het juist een belangrijke morele vooruitgang dat er steeds meer wordt gezegd: je moet uitvinden wat voor jou van belang is, wat jouw leven kleur geeft. En wij proberen onze samenleving dan zo in te richten dat jij ruimte hebt voor die zoektocht.

Natuurlijk, zo wordt ook de deur wagenwijd opengezet voor puur persoonlijke behoeften. Dit proces wordt versterkt door economische en geopolitieke invloeden, waarin zowel professionals als burgers worden aangesproken als technisch producent en als consument. Dan is er voor de morele betekenis van individualisering geen plek, namelijk het verbinden van persoonlijke zingeving en een wijdere zaak, bijvoorbeeld goed onderwijs geven of een goede manager zijn.”

Verbrugge: „De term individualisme past niet goed op de huidige situatie. Het subjectieve is een centraal thema in de geschiedenis van de Europese cultuur. In de ridderromans en in de mystiek van bijvoorbeeld Eckhart kom je ook noties van individualiteit tegen. Ik betwijfel ook of in de moderne situatie wel sprake is van zelfwording. Door het marktdenken en het consumentisme is veeleer sprake van de-individualisering. Het is de vraag in hoeverre die zoektocht van Harry voor iedereen is weggelegd, of de democratisering van de authenticiteit niet juist tot gevolg heeft gehad dat bepaalde bevolkingsgroepen in een morele leegte zijn komen te leven en de draad verliezen van het leven, de-personaliseren. Zoals de junk die, voortgesleept door zijn behoeften, de-individueert, of, zoals in de psychiatrie ook wel wordt gezegd, de-personaliseert. Dan komt de vraag op, is er niet meer opvoeding nodig? Een omgeving waarin je dat individu, om het maar even modern te zeggen, in zijn kracht brengt? Daar zit een paternalistisch element in. Maar voor mij is het individu niet het beginpunt, maar het eindpunt.”

Kunneman: „Je kunt daar ook op een andere manier mee omgaan. Kijk naar de verschuiving van verticale naar horizontale transcendentie. Verticale transcendentie veronderstelt dat er een maatgevend wezen is, een absoluut principe, en dat de zin van ons leven uiteindelijk ligt in de verbinding daarmee. Veel hedendaagse denkers zijn nu bezig met het herarticuleren van transcendentie, maar dan in horizontale zin. In het moderne liberale discours bestaat die niet, daar gaat het erom dat aan willekeurige individuele behoeften maximaal tegemoetgekomen wordt. Bij horizontale transcendentie erken je dat er een horizon van waarden is die individuele voorkeuren en persoonlijke belangen overstijgt, maar tegelijkertijd kan geen enkele persoon, groep of cultuur definitief bepalen wat die waarden inhouden. Je streeft naar leerzame wrijving daartussen, om te voorkomen dat een groep of traditie die transcendente horizon kan monopoliseren.”

Verbrugge: „Je kunt op verschillende manieren naar het religieuze kijken. Als je los van de metafysische betekenis van het geloof, van de vraag of God bestaat, de rol van religie binnen een cultuur onderzoekt, constateer je een bovenindividuele gerichtheid. Die bovenindividuele sfeer verdwijnt niet wanneer de relatie met God en het heilige haar kracht verliest. Zij neemt alleen een andere gedaante aan. Zie hoe bij Hobbes, maar later ook in de Verlichting, de natiestaat eigenlijk een goddelijk karakter heeft gekregen. Die staat maakte de burger mogelijk, en de burger identificeert zich ermee, veel meer dan met een adelstaat of kerkelijke staat. De lading die de staat heeft gekregen is dermate bovenindividueel geworden dat de individualiteit van mensen is verdwenen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog riepen aan beide kanten burgers hun regeringen op de wapens ter hand te nemen. De twintigste eeuw kende ideologieën met een bovenindividuele strekking, soms een quasireligieuze kracht.

In de jaren zestig is terecht de aanval ingezet op een bepaalde burgercultuur en op het nationalisme – begrijpelijk ook als je kijkt naar het drama van de Holocaust, de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Die bovenindividualiteit die aanvankelijk in religie lag en later is verschoven naar staat en ideologie, keert op een andere manier terug, maar wordt bedreigd door het geweld van de markt. Dit vraagt om een spirituele herijking van ons menszijn – en dan gaat het ook over het milieu en de sociale problematiek. Dit idee komt misschien wel in de buurt van horizontale transcendentie, maar ik vraag me af of het humanistisch liberalisme sterk genoeg is om weerstand te bieden aan de enorme krachten in onze commerciële cultuur.”

Kunneman: „Er komen nu twee vraagstukken bij elkaar, markt en transcendentie. Aan de ene kant zijn er die enorme krachten in de moderniteit die de morele betrokkenheid tussen mensen aantasten. Het is de vraag of we moeten proberen die krachten te temmen en aan andere krachten te onderwerpen. In hedendaagse zoektochten naar nieuwe vormen van verbinding en zingeving spelen elementen een rol die niet behoren tot het register van de kracht en de overheersing, maar meer horen bij het register van verrijking, voeding, zorg. Dat spreekt mij aan.

En dan de transcendentie. Ik ben het ermee eens dat de ontwaarding van een bepaald religieus vocabulaire en van kernbegrippen daarin zoals God, niet betekent dat deze oriëntatie niet meer van belang zou zijn. Integendeel. Maar er zitten twee kanten aan de herijkingsoperatie waar je naar verwijst. Niet alleen de kritiek op de subjectiverende dynamiek van het liberale hedonisme, maar ook de vraag hoe we de verbinding tot de macht kunnen kritiseren die altijd in transcendentie en spiritualiteit aanwezig is geweest. Dat is een van de spannendste filosofische opgaven nu. Hoe krijgen we de complementaire elementen bij elkaar?”

Verbrugge: „Ik hanteer daarvoor graag de notie van vorm, in de zin van omgangsvormen. Ik doel daarbij op de vormentaal die je bijvoorbeeld bij sport ziet: martiale sporten, voetbal, tennis. In die vormen zijn we op elkaar afgestemd, kan het spel gespeeld worden. In bredere zin kun je spreken over omgangsvormen tussen mensen, vormen waarin gewerkt wordt, waarin gezagsverhoudingen gestalte krijgen, of waarin man en vrouw met elkaar omgaan. Als je die subjectiveert, ondermijn je ze. Als een voetballer het veld opkomt en zegt: ik heb geen zin om dat hele stuk te lopen, kan het spel niet meer gespeeld worden. Wanneer de eigen beleving te belangrijk wordt, dan kan dat als consequentie hebben dat de vormen waarin en waardoor mensen elkaar herkennen en samen zijn, verloren gaan. Vanuit een liberaal uitgangspunt zijn er veel vormen die dan bestempeld kunnen worden als paternalistische machtsuitoefening. Maar je moet onderkennen dat bovenindividuele principes die mensen samenbrengen, per definitie iets gewelddadigs hebben. Iedere opvoeding, iedere cultuur heeft gewelddadige aspecten. In de jaren ’60 en ’70 wilde men iedere vorm van geweld uitbannen. Het was autoritair om iemand iets voor te schrijven of op te leggen. Het resultaat daarvan is een ander soort gewelddadigheid, vormelozer. Dat wordt zichtbaar in achterstandswijken waar men nauwelijks meer een fatsoenlijk woord Nederlands kan spreken. Daarom zeg ik: je moet vormen vinden waarin mensen met elkaar leven.”

Kunneman: „De discussie gaat juist over de vraag in naam waarvan die vormen worden vastgesteld. In naam waarvan stel je grenzen? Ik vind het gevaarlijk om over inherente gewelddadigheid van de mens en de onvermijdelijkheid van geweld te spreken. Dat stelt je iets te makkelijk in staat om te zeggen dat het zelf uitgeoefende geweld er nu eenmaal bij hoort. Ik hecht aan het idee dat in de sociale evolutie van de mensheid juist ten aanzien van de aard, de onvermijdelijkheid en de begrenzing van geweld vooruitgang te zien is. Jessica Benjamin wijst erop dat in het machtsspel, tussen mannen en vrouwen of tussen ouders en kinderen, het wederzijdse bezetten de overhand heeft. Maar dat is geen noodlot. Soms kun je daar uit komen door te zeggen: jij bezet de ruimte voor mijn eigen invulling van mijn leven met jouw projecties, angsten of verlangens, en ik wijs dat af, maar ik wil wel met jou verder. Ik wil met jou naar een relatie zoeken waarin voor ons allebei ruimte is anders zijn. Zo opent zich een relatie die wel begrenzing kent, maar niet gewelddadig is. Die gedachte speelt bijvoorbeeld ook in het herstelrecht. Ons huidige strafrecht heeft een uiterst verticale punitieve structuur, met rampzalige gevolgen, onder andere voor recidive. Vanuit het herstelrecht zeg je: wat je gedaan hebt deugt van geen kanten, maar we willen met jou verder. Je maakt duidelijk dat iets niet deugt, maar er is ook ruimte voor kritiek op de gestelde normen en voor het opnieuw ontwikkelen van een relatie. Dus die begrenzing is niet uit naam van een absoluut gestelde moraliteit, maar kan door de ander kritisch bevraagd worden.”

Verbrugge:„Ik maak me weinig illusies over jouw morele discours. Als project blijft het voorbehouden aan een relatief kleine groep mensen. Mijn tweede punt is of wat je nu zegt uiteindelijk niet te weinig om het lijf heeft om in de praktijk richtinggevend te kunnen worden. Wat nu als de ander jouw grens niet accepteert en zegt, mijn grens ligt hier. Je hebt ergens een intersubjectieve gemeenschappelijkheid nodig waar de grens getrokken kan worden.”

In het tweede deel van de discussie staat de vraag centraal of rationalisering en procesdenken tot onredelijke uitkomsten kunnen leiden.

Kunneman: „Een concreet voorbeeld is de organisatie van de thuiszorg. Daar zie je al die dilemma’s en krachten in een microkosmos verzameld. Er is een centrale indicatiestelling ingevoerd om een objectieve indicatie van de zorgbehoefte te krijgen, en het handelen van verpleegkundigen is tayloristisch uit elkaar gehaald. Dat gaat zo ver dat in sommige regio’s de routes van verpleegkundigen centraal gepland worden, opdat ze zo min mogelijk tijd verspillen. De verpleegkundige gaat dan de ee dag naar mevrouw Pieterse en andere dag naar mevrouw Klaassen en kan geen vaste relatie opbouwen. Dat is een pervers effect. Maar laten we niet vergeten dat de centrale indicatiestelling een vorm van verdelende rechtvaardigheid is. Voorheen hing de omvang van de verleende zorg in hoge mate af van lokale toevalligheden. De zorg wordt nu rechtvaardiger verdeeld. Daar is ook een morele impuls werkzaam.

„Die zie je ook in de hedendaagse organisatietheorie. Aan de ene kant hebben we de technocraten, de MBA’s, de benchmarkers, en aan de andere kant een heel vitale beweging van mensen die op zoek zijn naar inspiratie, verbinding, maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarom kun je niet zo eenduidig spreken over de negatieve kanten van het systeem en de instrumentele rede. Je moet juist de verschillen onderstrepen binnen dat systeemdenken en de positieve kanten verder uitwerken.”

Verbrugge: „Door alleen maar in processen te denken doe je het eigene van een dienst, van onderwijs of zorg geweld aan. Natuurlijk, je moet altijd een manager hebben, in de betekenis van iemand die zorgt voor het beheer van een bepaalde instelling. Het probleem is dat daarbinnen een neoliberale rationaliteit van kracht is. Het jargon van markt, productie en concurrentie wordt ook op allerlei gebieden toegepast die zich daar niet goed voor lenen. Wanneer je politie, het leger, een school als een bedrijf ziet en gaat praten over klanten, dan misken je het eigene van de situatie en daarmee ook van de beroepspraktijk. Dit komt overigens de efficiency vaak helemaal niet ten goede. Deze manier van denken druist in tegen wat goed werk verrichten nu eigenlijk betekent.”

Kunneman: „Ik wil daar iets naast zetten, iets wat ook te maken heeft met postmodernisering als maatschappelijke ontwikkeling. Een belangrijk kenmerk daarvan is het poreus worden en afbreken van bestaande schotten. Veel maatschappelijke domeinen die voorheen relatief waren en intern hun eigen prioriteiten en waarden konden definiëren, worden van elkaar afhankelijk. Dat betekent het doorbreken van professionele machtsposities waarin kennis exclusief beheerd wordt en cliënten uitsluitend mogen opereren in een ontvangende rol. Dat is positief. Maar de manier waarop dat gebeurt, wordt gedomineerd door eenzijdige vermarkting. Die twee dingen moeten we goed uit elkaar houden. Het is goed dat de relaties tussen professionals en cliënten of tussen leerlingen en leraren opener worden, horizontaler. Ik vind het daarom interessant te kijken welke potenties het marktdenken heeft, bijvoorbeeld in de richting van maatschappelijk verantwoord ondernemen, of in de richting van samenwerking. Het kapitalisme is nog steeds een bron van onrecht, maar het is ook sterk aan het veranderen. Er bestaan veel samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, er is veel internationalisering die gaat over het delen van kennis in plaats van over alleen maar concurreren. We moeten af van het vijandbeeld waarin de markt de drager van het kwaad is.”

Verbrugge: „Het risico van het neoliberalisme is dat allerlei sferen in termen worden benaderd die niet recht doen aan de eigenheid daarvan.”

Kunneman: „Mee eens. De vraag is, wat zet je daar tegenover? Er zijn veel vliegwielen aan de gang die ons een heel onplezierige en zelfs inhumane toekomst dreigen te brengen. Maar precies daarom is het van het grootste belang om aandacht te besteden aan datgene wat andere kanten op wijst, om die kooltjes van hoop aan te blazen, om daar nieuwe taal voor te ontwikkelen. Dat is van groot belang, en dit gesprek geeft mij wat dat betreft hoop, om een taal die meer in een christelijk discours geworteld is en een taal uit een humanistisch discours in leerzame wrijving met elkaar te verbinden, in plaats van die over en weer elkaar te laten verketteren.”