Giraf, Hottentot en kolonist

In de achttiende eeuw verkenden Europese reizigers vanuit de Kaapkolonie het binnenland van Afrika. Waren zij wegbereiders van de westerse expansie? Ze waren vooral nieuwsgierig. Dirk Vlasblom

Tot de negentiende eeuw was Afrika voor Europeanen onbekend terrein. Portugezen, Hollanders en Engelsen hadden aan de kusten forten en factorijen, waar ze slaven en ivoor inscheepten, maar het achterland bleef terra incognita. In het uiterste zuiden van het continent, aan Kaap de Goede Hoop, had de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1652 een verversingsstation ingericht voor de zeevaart op Indië. Rond het fort ontstond een volksplanting van compagniesdienaren, ‘burgers’ en boeren. Deze Kaapkolonie was de uitvalsbasis voor de eerste expedities naar het binnenland van Afrika.

In de achttiende eeuw bood het westerse bruggenhoofd aan de Kaap de ondernemende reiziger allerlei voordelen: transport met ossenwagens; protectie door de Compagnie; gidsen uit de kring van geassimileerde inheemsen en Europese kolonisten; een begaanbaar landschap – het Zuid-Afrikaanse veld – en, in vergelijking met tropisch Afrika, een gunstig klimaat. Kandidaat-ontdekkingsreizigers waren er genoeg in de Europese elite. Zij waren in de ban van het Verlichtingsdenken, wantrouwden speculatieve boekenwijsheid en hongerden naar ‘objectieve kennis’, te vergaren door ‘autopsie’ (eigen waarneming).

stoet

Siegfried Huigen, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika, verdiept zich al jaren in dit vroegmoderne reizigersverkeer. Volgende maand verschijnt bij Walburg Pers zijn boek

De VOC nam zelf het voortouw bij de verkenning van het binnenland. De Compagnie hechtte geloof aan een verhaal in Itinerario (1596) van Jan Huygen van Linschoten, waarin hij de geheime handelsnetwerken van de Portugezen in kaart bracht. Deze concurrenten zouden goud betrekken uit het rijk Monomotapa, een Afrikaans El Dorado. Afgaand op Van Linschotens kaart bouwde de VOC in 1721 een ‘comptoir’ aan de Delagoa Baai, op de plaats van het huidige Maputo, de hoofdstad van Mozambique. De bezetting maakte vergeefse tochten naar het binnenland en werd uitgedund door malaria en vijandige inheemsen, wat de post de naam Fort Lijdsaamheijd bezorgde. De VOC kon Monomatapa niet vinden en na een verlies van 490 mensenlevens en 177.049 florijnen werd het fort in 1730 ontruimd.

In 1760 bezocht de olifantjager Jacobus Coetsé als eerste Europeaan het zuiden van Namibië. Hij kwam terug met verhalen over een volk gehuld in ‘lijnwaat’ (textiel) en over een onbekend dier met een ‘lange hals, gebulte rug en hooge beenen, seer loom en traag van gang’. Hendrik Hop, kapitein der Kaapse burgercavalerie, dacht meteen aan Monomotapa en ondernam nog datzelfde jaar een expeditie naar het noorden. Hij vond geen textieldragers, wel koperreserves, maar die waren niet winbaar. Het onbekende dier – een giraf – bleek economisch nutteloos. Het had te weinig rug om lasten te dragen.

De meeste reizigers ging het niet om economisch nut. Zij trokken het binnenland in met onderzoeksvragen over de natuur en de inheemse bevolking van Afrika, vragen die werden aangereikt door de wetenschappelijke literatuur van die dagen.

khoikhoi

Europeanen kwamen aan de Kaap in aanraking met veehoudende nomaden die zichzelf

De eerste Europeaan die deze karikatuur corrigeerde, was de Duitser Peter Kolb. Hij kwam in 1705 naar de Kaapkolonie om astronomische observaties te verrichten voor een Pruisische edelman. Toen die stierf, was Kolb een tijdje secretaris van de landdrost van Stellenbosch. Hij reisde rond en verzamelde allerhande inlichtingen over de kolonie die hij in 1719 publiceerde in het boek Capvt Bonae Spei Hodiernvm (Huidige Toestand van Kaap de Goede Hoop).

Kolb schreef dit werk omdat hij bij eerdere auteurs ‘veel nutteloze, foutieve en totaal verkeerde dingen over de Hottentotten en hun land’ had aangetroffen. Hij woonde ceremonies bij en zag in de cultuur van de Khoikhoi overeenkomsten met het jodendom, waaruit hij opmaakte dat zij uit het Midden-Oosten stamden. Een nogal onbesuisde gevolgtrekking, maar ook een rehabilitatie van de Hottentotten, want in Kolbs tijd dacht protestants Europa heel gunstig over joden. Jean-Jacques Rousseau zou uit Kolbs boek inspiratie putten voor zijn verhandelingen over de Edele Wilde.

Postkoloniale auteurs als de Canadese filologe Mary Louise Pratt, schrijfster van het boek Imperial Eyes (1992), noemen achttiende-eeuwse reisteksten ‘pogingen om niet-Europees gebied intellectueel te annexeren en koloniale expansie voor te bereiden’. Huigen vindt deze benadering van het genre aanvechtbaar. “Veel reizigers voldoen niet aan dit beeld van de geborneerde Europeaan die vóór zijn vertrek al wist wat er verkeerd was met de inboorlingen. Achttiende-eeuwse reizigers deden over het algemeen moeite vreemde culturen te begrijpen, ze waren nieuwsgierig en beschikten over de nieuwste kennis.”

le vaillant

De kleurrijkste van deze vroegmoderne vorsers is de in Suriname geboren Fransman François le Vaillant (1753-1828). Zijn tweedelige

Le Vaillant schreef vol afschuw over de Kaapse kolonisten. Huigen: “Volgens hem gebruikten zij alle mogelijke bedrog om de welwillendheid van de Hottentotten te winnen en zo hun land af te troggelen. Verder achtte hij de trekboeren schuldig aan de felle grensoorlog met de Xhosa in het oosten, die zij ‘Kaffers’ noemden. Daar hadden kolonisten volgens Le Vaillant ‘alle wreedheden begaan die in de hel bedacht zijn’.”

Siegfried Huigen, Verkenningen van Zuid-Afrika. Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, Walburg Pers, geïll., ISBN 978.90.5730.464.4, 24,95 euro, 288 bldz.