Falende grazers

Grote grazers hebben in korte tijd eenvijfde van het Nederlandse natuurterrein veroverd. Maar de oerkoeien blijken vergrassing en verbossing niet te kunnen stoppen. Ondertussen brengen ze schade toe aan fauna en broedvogels. ‘Het zijn goedkope grasmaaiers geworden.’

Rypke Zeilmaker

Schotse Hooglanders, de roodharige oerkoeien zijn in korte tijd het belangrijkste beheersinstrument geworden van natuurorganisaties. Samen met konikpaarden en schapen begrazen zij al eenvijfde van al het natuurgebied. Schotse Hooglanders werden dit millennium zelfs een Hollands exportproduct: tot in de Poolse Oder-delta begrazen ze natuurterrein. Ieder jaar worden de kuddes verder uitgebreid zoals nu op Texel en Terschelling.

De Schotse Hooglander en de Konik (Pools voor paard) worden vooral gebruikt om klassieke beheersdoelstellingen te halen: vergrassing van natuurterrein tegengaan en dichtgroeien met bos voorkomen, zonder dat mensen nog hoeven maaien. Dit bespaart op personeelskosten.

Maar vijfentwintig jaar grazen met oerkoeien en -paarden toont aan dat de grote grazers vaak niet geschikt zijn als natuurlijke vervanging van de grasmaaier.

In de Kennemer Duinen werden de oerkoeien en konikpaarden losgelaten om het bijna verdwenen konijn te vervangen, een kleine grazer. Maar tien jaar grote grazers kon de dichtgroei niet keren, integendeel: deze versnelde zelfs. Daarom start hier dit voorjaar een vijfjarig graasexperiment met de grootste aller grazers, als extra zwaar laatste redmiddel: de bizon. Een kudde wordt deze maand in het Poolse Bialowieza-woud gevangen en in Nederland uitgezet in het tweehonderd hectare grote Kraansvlak bij Haarlem. De hoop is dat de bizon de houtige gewassen beter zal aanpakken dan zijn voorgangers.

De falende grazers in de Kennemer Duinen zijn geen incident maar regel. Evaluatie door Alterra van begrazing op Vlieland toonde in 2001 al dat twee van de drie beheersdoelstellingen met begrazing niet werden gehaald. Ook op de Veluwezoom blijken grote grazers ongeschikt als middel om heide open te houden. De Schotse Hooglanders dalen het liefst af naar de voedselrijkere omringende weidegrond. De van boeren overgekochte weide blijft open, maar bos en hei groeien dicht. Onderzoek van ecoloog Jan Bokdam toonde in 2003 dat de arme zandgrond alleen nooit voldoende voedsel biedt om een kudde jaarrond zonder bijvoeding te onderhouden.

mozaïekjes

Het Vakblad Natuur Bos en Landschap meldde in 2005 al dat de aanvankelijke succesverhalen van begrazing zijn overdreven. Alleen langs de rivieren in de zogeheten ‘nieuwe natuur’ doen de oerkoeien en oerpaarden wat in het boekje staat. Ze zorgen voor een meer afwisselende vegetatie, de zogeheten gradiënten en vegetatiemozaïekjes die Staatsbosbeheer-ecoloog Frans Vera propageert in zijn invloedrijke proefschrift Metaforen voor de Wildernis uit 1997 (zie kader).

Een van de eerste grote graasvoorstanders vanaf de zeventiger jaren, Ruud Lardinois van Stichting Kritisch Bosbeheer hekelt vooral de manier waarop zij worden ingezet. “Het zijn maaimachines geworden”, zegt Lardinois die het bizonexperiment in de duinen nu gaat begeleiden. “In tachtig procent van de gevallen worden grote grazers op een manier ingezet, die niets met de oorspronkelijke doelstelling te maken had om zelfvoorzienende natuur te maken. Zelfs op terreintjes kleiner dan honderd hectare worden Schotse Hooglanders ingezet. Terwijl we oorspronkelijk alleen op de Veluwe grote grazers in wilden zetten. Dat was als enige gebied groot genoeg.”

Bij het bizonexperiment vindt ook monitoring van de vogelstand plaats. Inventarisatie van Sovon Vogelonderzoek toont namelijk dat grote grazers nogal eens schade veroorzaken aan vogels die op de grond broeden. In de Lauwersmeer verdwenen de laatste blauwe kiekendieven door Schotse Hooglanders die nestgebieden wegvraten en nesten vertrapten. De Waddeneilanden zijn nu het bolwerk van de laatste dertig tot veertig broedparen in ons land. Maar ook hier zijn de Hooglanders in opmars.

Alterra constateerde bij de evaluatie van begrazing van de Vallei van het Veen op Vlieland dat begrazing in 1998 de “nekslag vormde” voor de laatste blauwe kiekendieven. Met de bruine kiekendief gebeurt hetzelfde in begraasd gebied. “Van de vijftienhonderd hectare duingebied in Vlieland wordt tweehonderd hectare begraasd”, zegt Peter de Boer van Sovon Vogelonderzoek. “Van de 22 paar bruine kiekendieven broedt nog één in het begraasde gebied, en die zit in een omheining waar de Hooglanders niet bij kunnen. Op Terschelling zijn ook alle kiekendiefpaartjes uit begraasd gebied verdwenen.”

Op Terschelling en Texel start Staatsbosbeheer dit jaar niettemin middenin broedterrein van blauwe kiekendieven nieuwe, grootschaliger begrazingsprojecten. Staatsbosbeheer gaat in het belangrijkste broedgebied van velduilen, De Slufter op Texel nu begrazing met runderen invoeren. Ze vervangen hier de schapen omdat daarmee niet de beheersdoelen, zoals het tegengaan van vergrassing, bereikt worden.

“Ik kan je nu al op een presenteerblaadje geven dat je daar dezelfde achteruitgang krijgt”, zegt De Boer. “Het probleem is dat de beheersplannen met grazers worden geschreven door plantenjongens en ecologen die zich vooral richten op het terugkrijgen van pioniersvegetatie. Ze denken dat als het met die opbouw van plantengroei goed zit, het met de rest ook wel goed komt. Dat is een misverstand. Een duinbloem als de parnassia keert wel terug omdat ook na verdwijning jarenlang kiemkrachtig zaad in de grond achterblijft, met dieren ligt dat anders.”

woelmuis

Ook zoogdieren lijden onder begrazing met runderen, zo blijkt uit een vorige week verschenen rapport van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) in opdracht van Vogelbescherming. De VZZ constateert dat de noordse woelmuis, de belangrijkste prooi van velduilen en blauwe kiekendieven op Texel verdwijnt waar de grote grazers verschijnen. Volgens de VZZ kunnen beheerders beter niets doen en het gebied laten verruigen.

In de Oostvaardersplassen lopen inmiddels ruim tweeduizend paarden, heckrunderen en edelherten op een deel van minder dan tweeduizend hectare. Zonder menselijk ingrijpen groeit hun aanwas jaarlijks met 20 procent. Rob Bijlsma vergeleek voor bureau Altenburg & Wymenga de broedvogelbestanden tussen 1997 en 2002, een periode waarin het grote grazersbestand verder groeide. Alle broedvogels van open ruigte, weide en droge rietlanden zijn over de hele linie sinds 1997 sterk afgenomen met 30 tot 100 procent.

vogelliefhebbers

De ‘architect’ van de Oostvaardersplassen, en ’s lands bekendste promotor van het grote grazen, Frans Vera van Staatsbosbeheer geeft aan niet blij te zijn met de manier waarop grote grazers soms in natuurgebied worden ingezet. “Iedereen gaat er mee aan de haal”, reageert hij. Maar volgens hem gaat het gegraas in de Oostvaardersplassen wel volgens het boekje en wordt de soep niet zo heet gegeten. “Vogelliefhebbers zijn altijd tegen grazers”, zegt Vera. “Maar in de Oostvaardersplassen zie je nu juist het open landschap ontstaan dat ik voorspel. Het is nu een gebied geworden dat als internationaal voorbeeld wordt aangehaald.”

Vera’s theorie over grote grazers in oerlandschap is een belangrijke pijler onder de grote graaspraktijk in Nederland, bij het grote natuurpubliek bekend via het glossy fotoboek Wildernis in Nederland, waar Frans Buissink als Vera’s ghostwriter optreedt. Vera ziet in heel laaggelegen Europa zonder menselijke invloed geen dicht oerbos ontstaan, zoals de klassieke theorie stelt, maar een open park met grazers. De os vormt het bos, in plaats van het bos de os zoals de klassieken stellen.

De theorie van Vera is de laatste paar jaar internationaal omstreden. Vera baseert zich op bewijs uit fossiel stuifmeel. De eik kan niet ontkiemen in dicht bos, maar alleen bij veel licht. Bij concurrerende bomen die wel schaduw verdragen als linde, esdoorn, Spaanse aak en haagbeuk heeft de eik geen kans. Toch is tussen het jaar 9000 en 6000 voor onze jaartelling overal eikenstuifmeel en hazelaarstuifmeel aanwezig. Het landschap moest dus open zijn. Vera ziet grote grazers als de kandidaten die opkomende boompjes tegengingen, en dus voor licht zorgden. Er was dus nooit dicht oerbos.

Maar palynologen (stuifmeeldeskundigen) als Fraser Mitchell vielen Vera in het Journal of Ecology in 2005 aan op zijn belangrijkste pijler, fossiel stuifmeel. Mitchell nam monsters in zes Europese landen van grasstuifmeel en boomstuifmeel. De verhouding hiertussen bepaalt of je met open grasland te maken hebt of met bos. In alle zes landen vond hij alleen gesloten bos. “Wij palynologen hadden vooral moeite met de manier waarop Vera bewijs voor fossiel stuifmeel gebruikt”, reageert Mitchell. “Hij gebruikt veel literatuurverwijzingen, maar geeft nergens een statistische analyse. Dat besloot ik daarom wel te doen. De hazelaar gooien we er dan bijvoorbeeld uit omdat die veel te veel stuifmeel maakt en de analyse in de war gooit.”

Vera’s grote graastheorie werd dit millennium ook populair bij de Engelsen die zochten naar minder arbeidsintensieve beheersvormen. Zij lanceerden in 2001 een grootschalig onderzoek naar de geldigheid van de Vera-theorie. “We vonden zijn idee sympathiek”, reageert bioloog Keith Kirby van Natural England. “Maar we konden geen bewijs vinden.” Als voorbeeld noemt hij onderzoek aan fossiele insecten in Engeland van entomoloog Paul Buckland in 2005. Hij vond alleen insectensoorten van gesloten bos. Pas als de mens verschijnt, duiken insecten van open landschap op. “We beschouwen het begraasde parkland als een geloofszaak, waar misschien langs rivieren ruimte voor was.”

Ook historisch onderzoek van Wageninger Cis van Vuure naar de oeros in Europa laat zien dat de laatste mensenloze wildernis van Europa (in Oost-Pruisen) ook mét oerossen een gesloten bos was. De consensus is nu dat de rol van grazers in het landschap misschien is ondergewaardeerd, maar dat wel vaststaat dat niet heel Europa een park was.

Maar Vera verklaart geen deals met de tegenpartij te willen sluiten. “Ik ga geen uitruil met mijn theorie houden”, reageert hij. “Zij kunnen mij nog steeds niet verklaren hoe de eik nu overal kon groeien in aanwezigheid van schaduwverdragende soorten. Mijn theorie verklaart dat wel. Bovendien heeft recent onderzoek aangetoond dat de gras-bosstuifmeelverhouding niet altijd een betrouwbare maat is om te bepalen of een landschap bos was.”

Wint de os nu dus of het bos? Er is voorlopig geen direct bewijs dat grote grazers invloed hadden, maar ook geen bewijs dat ze géén invloed hadden. Dat werkt voorlopig in Vera’s voordeel, zo erkent hij. “The absence of proof is not a proof of abscence.”

natuurlijk bos

De bedenker van de eerste graaspraktijk met runderen was niet Vera maar de in 1991 overleden bosecoloog Harm van de Veen. De Wageninger stond in 1973 aan de basis van de huidige Stichting Kritisch Bosbeheer en had nooit de bedoeling om Schotse Hooglanders grootschalig in te zetten. Van de Veen hekelde de klassieke bosbouw en streefde naar natuurlijk bos. Naar model van het Poolse Bialowiezawoud zouden bizons natuurlijke processen weer op gang brengen, bijvoorbeeld door open plekken te creëren waar jonge bomen ontkiemen.

De bizons moesten in het Deelerwoud komen. Dankzij publieke weerstand tegen de bijna een ton zware bizon werd in 1982 een op tamheid gefokte comprimiskoe losgelaten in slechts 160 hectare van de Imbosch: de Schotse Hooglander. Dit was het eerste Nederlandse rundergraasexperiment, een plan B omdat Natuurmonumenten terugkrabbelde. Los van Van de Veens bedoelingen werd hierna de begrazing met Hooglanders steeds verder uitgebreid om klassieke beheersdoelen uit te voeren, namelijk maaien in afgerasterd terrein. Postuum krijgt Van de Veen nu alsnog een klein beetje zijn zin, al worden de bizons in het Kraansvlak ook als maaiers gebruikt.

romantiek

Een stukje Wageningse weemoed speelde bij Van de Veens verlangen naar wildernis ook op de achtergrond. Alle ‘echte’ natuur was dankzij mensen verloren gegaan, en de mens moest nu maar eens pas op de plaats maken. “Er zat een vleugje romantiek in”, erkent oud-directeur van Staatsbosbeheer, Frits van Beusekom, die eind jaren zeventig met Van de Veen de grote graasidealen propageerde. “Sommige ecologen sloegen ook door. Alle door mensen gevormde natuur was plotseling fout en grutto’s heetten weidekaketoes.”

Van Beusekom was ook heilig overtuigd van de positieve invloed van grote grazers op natuur. “We reisden naar Bialowieza om daar met onderzoek aan te tonen dat bizons open plekken konden maken in het bos en zo monotonie van het gesloten woud konden doorbreken, bijvoorbeeld door het afsterven van bomen”, zegt hij. “Toen het onderzoek aantoonde dat bomen sneller herstellen dan bizons ze schillen (de bast afschuren zodat de sapstroom stokt), verraste dat ons. Die resultaten hebben we dan ook nooit gepubliceerd.”

Van de Veen en Stichting Kritisch Bosbeheer ‘inspireerden’ ook Vera. De ecoloog werkte aanvankelijk met kleine grazers en ganzen. De Stichting lanceerde ook de eerste graasproeven in de Oostvaardersplassen. “Vera heeft de ideeën van Harm van de Veen succesvol overgenomen en daar zijn parklandtheorie aan toegevoegd”, zegt Van Beusekom, toen hoofd terreinbeheer. “Hij heeft het idee van grote grazers internationaal bekend gemaakt en is een van de weinige ecologen in Nederland die een goed verhaal kan houden. Zijn grote invloed op het natuurbeleid is nu mede te danken aan het gebrek aan een goed weerwoord in Nederland.”

panacee

Van Beusekom is zelf gematigder geworden in wat hij noemt het ‘geloof’ in de grote grazer. “Men heeft nu de neiging om door te slaan”, zegt Van Beusekom. “Grazers worden nu aangedragen als panacee voor iedere natuurkwaal, en economische argumenten spelen een rol omdat je personeel uitspaart. Terwijl grote dichtheden van grazers juist schadelijk kunnen zijn voor kleine stukjes natuur die je wel wilt behouden. Juist de laatste jaren komt naast aandacht voor grote zelfregulerende systemen, zoals de ecologische hoofdstructuur, weer aandacht voor die kleinere natuurwaarden.”

Lardinois, volgens Van Beusekom nog steeds een echte ‘gelovige’, ziet een andere oplossing: in een grenzeloze Veluwe met grotere grazers. Als voorbeeld noemt hij een Duits bizonexperiment in het Rothaar-gebergte nabij Keulen waar de grazers een reservaat van 15.000 hectare krijgen. “Wat mij betreft halen ze al die Schotse Hooglanders uit natuurterrein”, zegt Lardinois. “Vergeleken met een bizon zijn ze zo dom. Onder sneeuw kunnen ze het gras niet eens vinden. Dan wachten ze onder een boom op bijvoeding, als iemand die tussen volle schappen in de Albert Heijn van de honger omkomt. Dat heeft werkelijk niets te maken met het ideaal dat Harm van de Veen voor ogen stond.”

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel over de begrazing van natuurterreinen wordt gesproken over de bizon (`Falende grazers`, W&O 24 maart). Bedoeld is hier de Europese bizon (Bison bonasus) of wisent.