De eerste dagen van ‘De schreeuw’

Joost Zwagerman is niet alleen bij de onthulling van het monument voor Theo van Gogh, maar keert ook daarna terug naar het Oosterpark in Amsterdam

In de Linnaeusstraat stappen twee vrouwen uit een Honda Civic die schuin op het fietspad staat geparkeerd. Eén van de twee haast zich naar Chinees Restaurant Lin Wah. Lachend komt ze kort daarna het restaurant weer uit. Ze heeft een fles witte wijn gekocht.

Zondagmiddag in de Watergraafsmeer, geen winkel open natuurlijk. Maar de vrouw die bij de auto bleef wachten heeft intussen een snackbar annex avondwinkel in de gaten gekregen, een paar deuren verderop. Hee, die is wél open. Nu hebben de twee vrouwen acuut een dilemma waarover ze de slappe lach krijgen. Kunnen ze die fles niet even snel terugbrengen en hun geld terugvragen? Voor datzelfde bedrag koop je bij die avond winkel drie flessen. Aarzeling, afweging, gegiechel.

Om de hoek van de Linnaeusstraat heeft in het Oosterpark een kwartier eerder de burgemeester van Amsterdam Job Cohen gesproken. Het beeld De schreeuw van Jeroen Henneman, ter herinnering aan de moord op Theo van Gogh, is zojuist onthuld. Sommige dingen zou een romanschrijver nooit durven opschrijven, omdat de symboliek er duimendik bovenop ligt. De warmste winter sinds eeuwen is achter de rug, maar op de dag van de onthulling is het koud en waait het.

witte smelt-confetti

Precies op het moment dat de stadsdeelraadvoorzitter is uitgesproken en Job Cohen het woord neemt, begint het in het Oosterpark te hagelen. Niet een beetje, maar striemend. Witte smelt-confetti op de schouders van de burgervader. Cohen memoreert dat Theo van Gogh veel vrienden had en evenveel vijanden. „Je kon veel over Van Gogh zeggen, maar een schreeuwlelijk was het niet.”

Nee? Zelfs zijn beste vrienden zouden het niet durven nazeggen. Meer dan eens cultiveerde Van Gogh het schreeuwen. Van Gogh maakte ook wel eens cd. Zelfs als hij zong of fluisterde, was het nog een soort schreeuwen. Sardonisch en illusieloos perfectioneerde Van Gogh de kunst van het feestschreeuwen. Maar dat bedoelt Job Cohen natuurlijk niet. De burgemeester wil benadrukken dat sinds de moord op Van Gogh het geschreeuw tegen bepaalde bevolkingsgroepen alleen maar is toegenomen.

De meeste toehoorders vinden de toespraak maar zozo-lala. Wat Cohen ook had beweerd, men voelt zich verplicht tot de opgetrokken wenkbrauw en meesmuilende gebaren.

Na Job Cohen neemt Hans Teeuwen het woord. De duimendikke symboliek wordt nu echt aanvallig, op het opdringerige af, want het houdt op met hagelen en de zon breekt door. Als Teeuwen even zijn tekst kwijt lijkt te zijn, begint hij er over. „De zon breekt door. Bij mij wel. Sorry burgemeester.” Dan kijkt de cabaretier even omhoog en zegt: „Dankjewel, Theo.”

Die blik omhoog is opmerkelijk, want zonet had Teeuwen nog gezegd niet te begrijpen wat er wordt bedoeld met respect voor gelovigen. Teeuwen gelooft wel in beleefdheid, zegt hij, „de beleefdheid om je minachting voor een stupide overtuiging te verbloemen en om mensen niet agressief te maken, en zo hoort het ook.” Daarna hief Teeuwen een lied aan over God en Allah, die respectievelijk op de pot diende te worden gezet en in onze reet diende te worden gestoken, gekoppeld aan een ironische nadruk op het vrije woord. Teeuwen zong het lied op een toon als van een oud-socialistisch strijdlied.

Een kleine twee uur na de onthulling talmt een handvol wandelaars wat bij het kunstwerk. Aan de voet van De schreeuw hebben mensen de onvermijdelijke bosjes bloemen neergelegd, maar ook twee blikjes Amstel Bier, één vol, één leeg. Iemand die Wanda heet heeft een brief aan Van Gogh geschreven. De brief is met zwarte tape op het De schreeuw bevestigd. Ernaast hangt een brief van de Vrienden van Fortuyn. Met groene ballpoint en in een regelmatig handschrift laten de vrienden zich uit over raakvlakken tussen Pim en Theo. Onderaan de brief een vermelding van een website, alsof Van Gogh in een hiernamaals geacht wordt over het net te surfen.

Ingeklemd tussen de twee blikjes bier ligt een zakmes, met op het paarse heft het logo van Jägermeister. Is die gift bedoeld voor potentiële wraaklustigen? Of is het onschuldiger en is het een ode aan een onvermoede kant van Van Goghs persoonlijkheid? Ooit noemde Theo van Gogh zichzelf ‘een eeuwig toegwijde padvinder’. En een goed zakmes is natuurlijk onontbeerlijk voor iedere padvinder, zeker als hij op een wolkje verblijft.

goed gevulde glazen

Na de onthulling is er een receptie in het Centrum Beeldende Kunst van het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer. Genodigden moeten een kaart laten zien aan twee beveilgingsbeambten. Een enkeling wordt gefouilleerd.

Binnen is een fototentoonstelling van Bert Nienhuis, die de ontstaansgeschiedenis van ‘De schreeuw’ volgde. In de receptieruimte hangt dezelfde vervreemdend-opgeruimde sfeer als bij een gemiddelde nazit van een crematie of begrafenis. Jeroen Henneman is in zijn nopjes met de keuze van de catering. Geen Amsterdams bedrijf met geblaseerde en blunderende werkstudenten, maar de firma Knip uit Ermelo.

De mannen van de firma Knip zien er robuust uit. Ze doen iets wat je onder bedienend personeel steeds minder ziet: ze bewegen zich door de menigte met één hooggeheven en gestrekte arm, en op hun hand met gespreide vingers balanceert het dienblad dat propvol goed gevulde glazen staat. Eén van de personeelsleden van Knip doet sterk denken aan de café-eigenaar in Van Goghs speelfilm uit 1984 Een dagje naar het strand, naar het boek van Heere Heeresma.

Later op de middag bevinden zich bij De schreeuw nog zo’n tien, twintig belangstellenden. Op gepaste afstand staat een NOS-wagen geparkeerd. Dichter bij De schreeuw, met de neus naar het grasveld, staat een witte VW Golf van een particulier beveiligingsbedrijf. Twee jongens, vermoedelijk zo’n jaar of twintig, zitten in het Golfje en drinken Red Bull. Tot acht uur de volgende ochtend moeten ze hier posten. Bij alle voorbereidingen rond De schreeuw’ is men vergeten een anti-graffitilaag op het beeld aan te brengen. Dat gaat alsnog de volgende ochtend gebeuren. Daarna mogen de jongens van het beveiligingsbedrijf vertrekken.

‘de schreeuw’ revisited

Na een paar dagen nog eens naar het Oosterpark gefietst. Hoe staat ‘De schreeuw’ erbij? De bierblikjes en het zakmes zijn verdwenen. Het aantal bosjes bloemen is gegroeid. Er liggen nu ook zes grote zonnebloemen. Een roos waarvan de onderkant van de steel is omwikkeld met zilverfolie bungelt tussen één van de reten van het kunstwerk.

Zo zonder omstanders staat De schreeuw er soeverein bij, maar tegelijk is het beeld in al die soevereiniteit opmerkelijk introvert. Alsof het eigenlijk geen pottenkijkers veelt. Het beeld slaakt het liefst in zijn eentje een stille schreeuw. Daar is veel voor te zeggen.

Een man met bomberjack en een rode ultrakorte hanekam blijft even staan. Hij poetst zijn bril op en houdt zijn hoofd schuin als hij kort het kunstwerk bekijkt. Een motoragent komt stapvoets langs. De agent doet de klep van zijn helm omhoog. Komt hij speciaal langs on De schreeuw in de gaten te houden? Nee, niet echt. Hij maakt gewoon zijn surveillance door het park. Extra rondes zijn tot nu toe ook niet echt nodig. Het loopt niet storm bij De schreeuw.

Dat klopt. Even verderop trekken twee meisjes in legerkleding meer bekijks. Eén doet alsof ze blind is en tikt ritmisch met een blindenstok om zich heen. Ze houdt een hondenriem vast. Aan het uiteinde van de riem zit het andere meisje vast. Zij kruipt als een hondje of een slaafje naast het meisje dat voor blindeman speelt. Het hondenmeisje heeft grote handschoenen aan. Dat is wel nodig. Op de paden ligt veel vuil. Op haar hoofd heeft het hondenmeisje een grote rode omgekeerde pan. Dáár weer op is een kleine camera bevestigd die zwakke lichtseintjes uitzendt. Aan de noordkant van het park komen bierdrinkende mannen niet meer bij van het lachen als de nepblinde en het hondenmeisje voorbijkomen. Ook een dame met een hondje, een échte, krijgt de slappe lach. „Zelfs mijn hond vindt het raar, zie je wel? Dat zegt wel wat.” De meisjes komen uit een Midden-Europees land, weet de dame. „Ik vrees dat het iets met kunst is.”

Een laatste ronde door het park. Nu is er niemand die halt houdt bij De schreeuw. Een fietser werpt even een blik opzij, alsof het beeld al jaren tot het parkdecor behoort.

Als ik nu wegga, weet De schreeuw zich ongezien. Ik blijf staan kijken en wacht tot iemand het van me overneemt. Dat duurt langer dan ik dacht.

Doorlopen om iets anders te gaan doen is, zo in je eentje, zo makkelijk nog niet. Dat heeft verdacht veel van wegkijken.

Een Surinaamse vrouw met twee halfvolle rode Dirk-tassen zet haar tassen op de grond en blijft even bij De schreeuw staan. Met haar gsm neemt ze een foto van het beeld. Ik mag gaan.