Bij ‘horrortandarts’ Hok Tong K. op het keukenkrukje

Wie komt er bij de rechter en waarom? Een tandarts wordt ervan verdacht de gebitten van ten minste twaalf van zijn patiënten te hebben vernield.

Onwillekeurig kijk je naar de monden van de mensen op de publieke tribune. Hebben ze nog tanden? En zo ja, zijn ze echt? Het is de eerste dag van het proces tegen Hok Tong K., de ‘horrortandarts’, de ‘bekkenbeul’ uit Buitenveldert , de man die de gebitten van patiënten zo behandelde dat het meer op mishandeling leek.

Het regionaal medisch tuchtcollege legde hem in 1991 al een boete op, het jaar erop werd hij tijdelijk geschorst, daarna weer een waarschuwing, een schorsing, een voorwaardelijke schorsing. In maart 2004 nam het tuchtcollege hem zijn titel af. Hij mag zich geen tandarts meer noemen.

Maar Hok Tong K. werkte door. Op 11 april 2005 viel de politie bij hem binnen. Hij werd gearresteerd, vastgezet en weer vrijgelaten. En ’s middags zat er alweer een patiënt bij hem op het keukenkrukje.

Twee jaar heeft officier van justitie Hetty Hoekstra onderzoek gedaan naar de tandarts. Nu kan de zaak beginnen. Of toch niet? Drie rechters van de Amsterdamse rechtbank zitten klaar, Hok Tong K. is voor het eerst in het openbaar verschenen, de zaal zit vol met ex-patiënten. De politieagent van het bureau in Amstelveen die alle aangiftes tegen K. opnam is er ook. „Voor het eerst in mijn carrière ga ik naar de rechtszaak”, zegt hij. Wat déze man heeft gedaan, zegt hij, is te gruwelijk.

Maar de zaak begint niet. Tenminste, niet inhoudelijk. Het spijt de rechter vreselijk voor alle aanwezigen, zegt hij, maar dit is een regiezitting. De zaak wordt alleen pro forma behandeld, voor de vorm. En dat betekent dat de officier van justitie, de rechter en de advocaat van de tandarts gaan bespreken hoe ze de echte behandeling van de zaak gaan aanpakken.

De officier begint met het voorlezen van de verdenking tegen K. Patiënt 1 moest na behandeling door K. alle tanden en kiezen laten vervangen. Patiënt 2: weggevreten kaakbot na behandeling. Patiënt 3: ernstige tandvleesontsteking. En zo gaat het 12 patiënten door.

De rechter valt even uit zijn rol als regisseur en begint toch alvast K. te ondervragen.

De rechter: „En u wist echt niet dat u zich geen tandarts meer mocht noemen? Laat staan als een werken?”

De advocaat begint met antwoorden. De rechter vist een document uit het dossier. De schorsingsbrief van het tuchtcollege. Hij houdt hem in de lucht.

„Deze brief kent u niet?” Stilte.

De voormalige tandarts mag naar voren komen. „Soms doet de lay-out van zo’n document wonderen”, helpt hij. K. tuurt lange seconden. Nee, nooit gezien.

De rechter: „Ik zal de aap maar uit de mouw laten komen. Wij neigen ertoe u gedragskundig te laten onderzoeken. U kreeg boetes, waarschuwingen, een schorsing. U wilt gewoon niet luisteren.”

De officier vindt het een uitstekend idee. De advocaat zegt dat hij het niet zo nodig vindt. De rechter noteert. „Dat is dan bij deze besloten.”

Dan heeft de advocaat nog wat. In de praktijk van de tandarts stonden tandheelkundige apparaten. De politie heeft bij de inval in de praktijk foto’s gemaakt, maar daar zijn die apparaten niet op te zien.

De officier: „We hebben een hoop in beslag genomen.”

De advocaat: „Zit daar ook een autoclaaf bij?”

De rechter tegen de officier: „Weet u hoe een autoclaaf eruit ziet?”

De officier: „Nee”.

Besloten wordt dat de ex-tandarts samen met de officier gaat kijken bij de dienst Domeinen, daar worden alle door justitie in beslag genomen spullen opgeslagen. Kan hij meteen zoeken naar de röntgenfoto’s die wel in rekening zijn gebracht, maar niet gevonden.

De advocaat heeft nog een punt. K. had 2.000 patiënten, de officier van justitie heeft ze allemaal gevraagd hun ervaringen te melden. Daar zaten, zegt de advocaat, ook positieve reacties bij. „Maar die heeft u niet in het dossier gedaan.”

De officier, laconiek. „Dat waren er drie. Wilt u dat ik die opneem?”

De advocaat: „Graag.”

Wat we moeten voorkomen, zegt de rechter, is dat wij hier als juristen de tandheelkunde gaan bespreken. Dat moet een deskundige doen. En bij voorkeur niet bij hem in de rechtszaal, maar vooraf. En dan is het wel zo handig, vindt hij, als K. daarbij zit.

Eigenlijk is dit een dag zittingsverlies, zegt de rechter. De zaal en de rechters zijn, door een administratieve fout, de hele dag geboekt, maar voor een pro forma zitting is dat niet nodig. Een nieuwe datum wordt geprikt, voor als de zaak wel ‘zittingsrijp’ is. En ook al wil de rechter niet het „tandheelkundige pad” op, hij weet nu al dat hij wel zal moeten praten over geruïneerde gebitten. „Laten we dus maar meteen een tweede dag reserveren.” De officier vindt het een uitstekend idee. De advocaat zegt dat hij het niet zo nodig vindt.

Twee dagen dus, maar wanneer? Een van de drie rechters gaat binnenkort met pensioen, voor die tijd moet de zaak afgehandeld zijn. „Laten we mikken op september.”