Beertje Knut – Darfur: 1-0

Wat vinden we interessanter, tientallen ijsberen ergens in het poolgebied die in hun voortbestaan worden bedreigd, of de overlevingskansen van het aanbiddelijke ijsbeertje Knut in de dierentuin van Berlijn? Wat spreekt ons meer aan, de 106 mijnwerkers die omkwamen in Siberië of die éne naar wie nog werd gezocht?

Ikzelf moet bekennen dat ik de berichten rond ijsbeertje Knut in de Duitse media met eindeloos veel meer belangstelling heb gevolgd dan die hele Russische mijnramp, de zoveelste. Het berenjong is het eerste dat in dertig jaar in de dierentuin werd geboren, tot verrukking van de hele stad. Na de geboorte werd het door zijn moeder, een uit een voormalig Oost-Duits circus gered dier, verstoten. Het diertje wordt nu met de fles grootgebracht door zijn verzorger. Deze week pleitten dierenactivisten ervoor dat Knut afgemaakt zou worden, omdat het beest onnatuurlijk gedrag aangeleerd krijgt met deze opvoeding, en nooit een normale ijsbeer zal worden. Er stak een storm van verontwaardiging op, en de Zoo, die eerder een babyluiaard om dezelfde reden afmaakte, haastte zich het publiek ervan te verzekeren dat Knut wel zou blijven leven.

Nu zijn de foto’s van een Knut – wit-pluizige speelgoedknuffel met glimmend zwarte kraalogen – die speelt met een houten wc-borstel of een Duitse voetbal, inderdaad wel een beetje raar, hoe schattig ook. En eerlijk gezegd vind ik dierentuinen an sich al verwerpelijk. Toch leggen die 106 mijnwerkers het in mijn aandacht moeiteloos af tegen één ijsbeertje. Zestienduizend asielzoekers zijn beduidend minder interessant dan één kind dat dreigt te worden teruggestuurd naar Afrika. Een vliegramp (alwéér Rusland, gaap) minder belangrijk dan de vriend die vorige week bijna verongelukte.

Is er iets mis met mijn moreel kompas? Nee, dat functioneert naar het schijnt helemaal naar behoren. Is er iets mis met het moreel kompas van de menselijke soort? Daar zijn wel wat argumenten voor aan te voeren. Mijn oog viel op een artikel op de site van het blad Foreign Policy van psycholoog Paul Slovic, die uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de mechanismen van compassie en morele keuzes. Zijn voorbeelden zijn te smakelijk om achterwege te laten. In één studie gingen donaties om een doodhongerend zevenjarig Afrikaans meisje te redden scherp omlaag wanneer naast haar foto ook nog werd vermeld dat miljoenen andere kinderen in Afrika dit lot stond te wachten.

In een ander onderzoek liet Slovic drie verschillende foto’s zien aan drie testgroepen. De eerste groep zag een foto van een een doodhongerend Afrikaans meisje met een begeleidend tekstje over haar omstandigheden, de tweede een foto van een doodhongerend Afrikaans jongetje met een vergelijkbare tekst, en de derde groep zag een foto van beide kinderen samen, plus tekst. De foto’s van de kinderen afzonderlijk kregen ieder ongeveer evenveel donaties van de testpersonen; de kinderen samen aanmerkelijk minder. Onze gevoelens van compassie voor anderen blijken al sterk af te nemen bij het getal twee. Grote getallen staan de gevoelens – ontzetting, medelijden – die we nodig hebben om in actie te komen, in de weg; ze komen simpelweg niet meer bij ons op. Meer gruwelijke cijfers uit Darfur zullen geen zier uitmaken – het zijn juist de getallen van de genocide die compassie onmogelijk maken. Slovic ijvert nu voor een herziening van de Genocideconventie uit 1948, in het licht van zijn laatste bevindingen. Ook filosoof Peter Singer publiceerde deze week een stuk in The Guardian waarin hij concludeert dat onze morele intuïtie niet te vertrouwen is. Onze morele intuïtie maakt niet altijd de beste keus – en de beste keus, stelt Singer, redt de meeste mensenlevens. Redeneren is volgens hem een veel betere basis voor morele keuzes dan intuïtieve gevoelens. Maar wie werkelijk gaat doorredeneren komt voor vervelende paradoxen te staan. Is het wel in het belang van de menselijke soort dat er zoveel mogelijk mensenlevens gered worden? Is méér beter? Zal de huidige overbevolking van de aarde uiteindelijk niet de ondergang van de hele soort veroorzaken? Moeten we niet juist zo weinig mogelijk mensen redden, opdat op langere termijn meer mensen kunnen voortbestaan? Het zou een zegen zijn voor de aardbol en de menselijke soort als het aantal mensen tot ongeveer een miljard zou worden teruggebracht. Dit is onacceptabel, weten we, al kunnen we met redeneren alleen misschien niet uitleggen waarom. Het stuit ons tegen de borst, en misschien is die intuïtie zo slecht nog niet. Maar zal het sleetse ,,nooit meer’’ van alle mogelijke herdenkingen – de Holocaust, Srebrenica, Rwanda, vult u maar aan – dan voor altijd een hypocriete, holle term blijven, omdat we toch keer op keer niet in staat blijken om massamoorden intuïtief te bevatten, te verhinderen en te stoppen? Als één mens wel zo’n beetje het maximum is wat we aankunnen qua naastenliefde, dan ligt de oplossing misschien ook bij afzonderlijke individuen. Zoals Irena Sendlerowa, samen met beertje Knut goed voor het meest indringende nieuwsbericht van de afgelopen week. Sendlerowa, 97, redde in 1942-1943 eigenhandig zo’n 2500 kinderen en baby’s uit het getto van Warschau. Ze smokkelde ze naar buiten in ambulances, koffers, dozen, of via de riolering en andere tunnels, en plaatste ze in gastgezinnen. In 1943 werd Sendlerowa opgepakt en gemarteld – haar benen en voeten werden gebroken, waardoor ze nog steeds met krukken loopt. Dankzij een omkoopsom van de Poolse ondergrondse werd ze niet geëxecuteerd. Afgelopen week werd ze gelauwerd door de Poolse regering, voor het eerst in zestig jaar. En wat zegt ze zelf? ,,Ik werd opgevoed met het idee dat je een drenkeling moet redden, ongeacht zijn geloof of nationaliteit. Ik heb nog steeds last van mijn geweten dat ik zo weinig heb gedaan.”