‘Zou ik hier willen liggen?’

De reis naar een graf is de reis naar een verzameld werk, vindt Cees Nooteboom. Hij schreef teksten bij foto’s van schrijversgraven. ‘De stenen hebben zoveel te vertellen.’

‘Verdrietig? Als ik eerlijk ben, geloof ik dat ik dat niet echt ben geweest, al roepen sommige graven meer emotie op dan andere. Bij Melville weet je dat Moby-Dick tijdens zijn leven is uitgekotst. Die man is vergeten gestorven, terwijl zijn boek nu tot de grote klassieken behoort.”

Het opmerkelijkste aan Tumbas, het vorige week verschenen boek van Cees Nooteboom en fotografe Simone Sassen, is dat het zo’n opgewekt boek is. Nooteboom lijkt zich uitstekend op zijn gemak te voelen tussen de doden: hij staat niet te lang stil bij de dood, maar springt meteen naar het leven, naar het werk, citeert veel gedichten, karakteriseert het graf van Paul Claudel als ‘een lits-jumeaux in een luxehotel, dat per ongeluk in het woud terechtgekomen was’, en vertelt vrolijke anekdotes: „Op het graf van Cortázar in Parijs stond een fles absint. Er is dus iemand helemaal naar Montparnasse gegaan om Cortázar de rest van zijn fles absint te brengen of om daar bij dat graf te drinken. Het moet een gezellig idee zijn: ik heb samen met Cortázar iets gedronken”.

Vijf jaar lang trokken Nooteboom en Sassen langs de graven van meer dan zestig schrijvers, verspreid over de wereld. Zij maakte een foto van het graf, hij schreef erover. Belangrijkste spelregel: er mocht niets aan het graf veranderd worden, niets weggehaald, niets bijgelegd. De foto’s en de teksten verschenen afgelopen najaar in een Duitse uitgave. Veel van Nootebooms helden staan erin (Cesar Vallejo, Eugenio Montale, Kafka, Robert Louis Stevenson, Paul Celan), anderen ontbreken omdat hij de graven niet kon vinden (Onetti, Maupassant) of omdat ze waren verplaatst (Lawrence). Weer anderen ontbreken omdat je niet eeuwig door kunt gaan.

„Op een gegeven moment heb je nog een verlanglijstje”, zegt Nooteboom thuis in Amsterdam. „Milosz stond daarop. En Strindberg. Maar de Duitse uitgever vond het genoeg zo. Bovendien kan het vermoeiend zijn. Simone is vaak bezig om het graf goed op de foto te krijgen. Daar moet je lang op wachten. En soms moet je lang zoeken. We waren op zoek naar Maupassant en konden hem met geen mogelijkheid vinden. Dan moet je weer helemaal terug naar zo’n bureau. Daar vertellen ze precies waar iemand ligt, maar soms is het graf dan weer overwoekerd, en moet je een hele struik onhoog houden, zoals bij Calvino. Zo hebben we Maupassant uiteindelijk maar laten lopen.” Met de publicatie van het boek is het project dan ook voorbij, zegt Nooteboom: „Ik zal als ik in Krakau ben vast het graf van Milosz bezoeken, maar ik zal er niet meer over schrijven.”

Ode

In Nootebooms uitgebreide inleiding bij Tumbas (‘Het boek is ook bedoeld als een ode aan de poëzie’) vergelijkt hij de reis naar een graf met een reis naar een verzameld werk. „Het is een vreemd soort ervaring: je staat bij zo’n graf, meestal van iemand die je nooit hebt gekend, maar van wie je zo veel weet. En vaak blijkt uit zo’n graf hoeveel iemand anderen nog steeds te zeggen heeft. Er is zoveel leven in de dood. Neem een tamelijk obscure dichter als Cesar Vallejo. Die is al vóór de oorlog gestorven en niet erg beroemd geweest, maar toch komen mensen nog papier en potloden naar zijn graf in Parijs brengen. Of neem het graf van de Spaanse dichter Antonio Machado, waar een brievenbusje bij staat. Dan licht je even het klepje op en... ja hoor! Post!’

Een graf is ‘een histoire, een roman’, volgens Nooteboom. Maar wel een roman die hij vaak niet helemaal navertelt. Zo is er op Sassens foto van het graf van Carlos Drummond de Andrade te zien dat de Braziliaanse dichter precies twaalf dagen na zijn vrouw Julieta overleed. In zijn tekst wordt erover gezwegen. „Ik wilde sommige dingen ook openlaten. Dat kan de lezer zelf zien. De stenen hebben zoveel te vertellen.”

Daarbij vertellen de stenen niet altijd hetzelfde verhaal als de schrijvers bij leven deden. „Er is vaak erg weinig relatie tussen het werk en het graf. Gustave Flaubert ligt in Rouen in zo’n lullig burgerlijk familiegraf. Uiteindelijk wordt hij teruggepakt door de bourgeoisie, al doet dat natuurlijk niets af aan de revolutionaire kracht van zijn proza.”

Echt originele graven zijn toch al zeldzaam, zegt Nooteboom. „Niet dat dat van mij hoeft. Er zijn geweldige kerkhoven in Italië, maar Eugenio Montale heeft zijn vrouw gewoon in een muur laten zetten, tussen de arme mensen. En daarna is hij er zelf bij gaan liggen. Dat geeft een vreemd gevoel. Tegelijkertijd denk je: mooi voor het boek, hij is de enige die begraven is als een gewone kantoorbediende.” Hetzelfde gold voor een van de akelige verrassingen waar Nooteboom mee geconfronteerd werd: dat de grote Braziliaan Machado de Assis alleen herkenbaar is aan het nummer dat is aangebracht aan de zijkant van zijn tombe. ‘Nummers schrijven geen boeken’.

„Pas als het echt wringt ben je geneigd om melancholisch te worden, zegt Nooteboom. „Iemand als Elias Canetti was stokoud, maar hij wilde absoluut niet dood.” Bij het graf van Kafka raakte Nooteboom via een omweg ontroerd, vertelt hij: „Hij ligt in een familiegraf, met daaronder een plaat aangebracht voor zijn twee zusters, die in de oorlog vergast zijn. Dat is een vreemd idee: hij heeft de tijd voorspeld waarin dat soort dingen konden gebeuren, zelf heeft hij het niet meegemaakt, maar zijn zusters hebben de consequenties ondervonden.”

Veel Nederlanders staan er niet in het boek, hoewel Nooteboom aanwezig was bij de begrafenissen van onder anderen Hans Andreus, Ed. Hoornik, Gerrit Achterberg en Simon Vestdijk. „Naar die graven wilde ik niet toe. Dan zou het boek te veel over mij gegaan zijn. Bovendien moest het oorspronkelijk een boek voor mijn Duitse uitgever worden. Dat betekent dat er niet te veel Nederlanders in konden: Slauerhoff, Multatuli en Lucebert natuurlijk wel, Roland Holst om zijn prachtige steen. En Pierre Kemp.”

Kerkhofbezoekerig

Tumbas verschijnt kort nadat de Nederlandse Boekverkopersbond heeft aangekondigd een fonds te zullen stichten voor het onderhoud van schrijversgraven. Dat werd wel tijd, vindt Nooteboom. „Wij zijn niet zo kerkhofbezoekerig. In Portugal liggen er na Allerzielen zeeën van bloemen, maar voor ons geldt: dood is dood. Soms ben je op een plaats waar het hele kerkhof zelf dood was, al zelf helemaal vervallen is, waar ook niet meer begraven wordt. Sommige kerkhoven zijn enorm. Maar op een dag wordt dat ook allemaal geruimd. Een beroemd schrijver heeft een grotere kans dat iets langer blijft staan. Maar je weet: het is zeker niet voor de eeuwigheid.”

Wat moet er eigenlijk met Nooteboom zelf gebeuren na zijn dood? „Ik heb geen idee. Soms heb ik wel eens gedacht: hier zou ik wel willen liggen, hier is het lekker rustig. Maar dat is natuurlijk ook een vergissing. Want zelf maak ik het niet mee.” En, lachend: „Het maakt voor een Nederlander toch niet zoveel uit. Want je kunt wel een mooi graf laten maken, maar er komt toch geen mens kijken.”

Cees Nooteboom: Tumbas. Graven van dichters en denkers. Met foto’s van Simone Sassen. Atlas, 256 blz. € 49,90