Zonder sociale vaardigheden kan een leerling helemaal niets

Op de komende ‘participatietop’ willen werkgevers, vakbonden en kabinet afspraken maken over achterblijvers op de arbeids-markt. CNV’er Paas bezocht probleemwijk Overvecht.

Hij kwam om verhalen te horen. Verhalen over de jongeren die het grootste risico lopen te ontsporen: allochtoon, uit een achterstandswijk, op het vmbo. En over de manier waarop de school, het Vader Rijn College, probeert die leerlingen de maatschappij (weer) in te loodsen.

„Die verhalen kunnen wij gebruiken aan andere tafels. Aan de Haagse vergadertafels”, zegt René Paas, voorzitter van vakcentrale CNV. Nu zit hij aan de tafel in de werkkamer van directeur Bart Engbers, omringd door een aantal leraren. Paas bereidt zich voor op de participatietop, de bijeenkomst tussen werkgevers, werknemers en kabinet die naar verwachting eind april plaatsvindt. Met als doel te zorgen dat zoveel mogelijk mensen de weg vinden naar de arbeidsmarkt, ook de minst kansrijken. Hij wil van de school horen wat hij voor ze kan doen.

Het Vader Rijn College is naar eigen zeggen ‘de zwartste school van Nederland.’ Meer dan 90 procent van de 790 leerlingen is allochtoon, het merendeel Marokkaans en Turks. Het overgrote deel woont in wijken met een postcode die de school recht geeft op extra fondsen, de zogenoemde leerplus-arrangementen.

„Typisch voor onze leerlingen is de stapeling van problemen”, zegt Sjaak Luitjes, teamleider techniek. Hij somt op: een moeilijke thuissituatie met weinig geld, een cultuur waarin weinig gesproken wordt tussen ouders en kinderen, een taalachterstand en een diep wantrouwen jegens de samenleving die hen discrimineert. „De band met Nederland is zwak, maar ik mag ook niet zeggen dat ze Marokkaans zijn. Ik moet voorzichtig de gedachte aandragen dat ze ook Nederlands zijn.” De problemen zijn zo talrijk, dat het aanleren van sociale vaardigheden (‘competenties’) zoveel tijd kost, dat de overdracht van vakkennis er soms bij inschiet. „De kennis verleren ze, maar de vaardigheden blijven.”

De school heeft eigen ‘leerlijnen’ ontwikkeld voor competenties als ‘samenwerken’, ‘plannen’, ‘communiceren’. Voor al die onderwerpen krijgen leerlingen opdrachten die ze zelfstandig moeten uitvoeren en presenteren.

Dat gaat ten koste van de klassikale lessen. En van de kennis die het ministerie vereist voor een vmbo-eindexamen. „We doen liever niet mee aan het vmbo-eindexamen”, zegt Luitjes. Om leerlingen toch toegang te geven tot het vervolgonderwijs, halen veel van hen het als noodoplossing bedoelde aka-diploma (arbeidsmarkt-kwalificerend assistent). Daarmee kunnen ze naar het laagste mbo-niveau.

„En het werkt: we zien de leerlingen groeien”, zegt Luijtjes. „Niet allemaal, maar een groot deel krijgen we uit die negatieve spiraal dat ze niets voorstellen, dat ze er niet toe doen.” De school is naar eigen zeggen uniek in deze aanpak, maar dat levert ook problemen op, onder meer met de onderwijsinspectie. Zo telt het aka-diploma officieel niet mee bij het meten van de resultaten van de school. „Maar inmiddels, na drie jaar ellende, zijn ze op het ministerie anders gaan denken over de aka’s”, zegt directeur Engbers tegen CNV’er Paas.

Paas, die af en toe iets opschrijft, vraagt of samenvat, wil weten welke concrete maatregelen hij zou kunnen voorstellen. Het eerste dat Engbers noemt, is meer geld voor stagebegeleiding. Alle leerlingen van de bovenbouw moeten een aantal weken bij een bedrijf of instelling werken. „Wij hebben leerlingen die binnen één dag een puinhoop kunnen veroorzaken. Dan moet je meteen ingrijpen, anders ben je dat bedrijf kwijt.” Dat kost tijd en dus geld. Het kost ook tijd om de ervaringen tijdens de stage goed te bespreken, zodat ze er iets van leren. „Maar daar heeft Onderwijs geen geld voor. Het ministerie van Justitie wel, die ziet wel hoe belangrijk het is uitval te voorkomen.”