Waar gaat het om?

Betekenis vinden in een wereld die van zichzelf geen betekenis heeft – dat is volgens Terry Eagleton de opdracht waarvoor de post-postmoderne mens zich gesteld ziet.De Nederlandse filosoof Awee Prins buigt zich in een leesbaar proefschrift over de verveling, waarvan het kenmerk het verlammende besef van zinloosheid is.

Terry Eagleton: The Meaning of Life. Oxford University Press, 187 blz. € 20,10

‘What’s the answer?’ schijnt de Amerikaanse dichteres Gertrude Stein filosofisch op haar sterfbed gemompeld te hebben, steeds opnieuw. Maar haar allerlaatste adem blies ze uit met een onthutsende omkering: ‘What’s the question?’ In het lange, sprankelende essay The Meaning of Life van de Ierse essayist Terry Eagleton draait het precies om die twee verwarrende levensvragen, die hopeloos met elkaar verstrengeld zijn: wat bedoelen we wanneer we ons afvragen wat de zin van het leven is – en als we eenmaal weten wát we met die vraag bedoelen, hoe luidt dan het antwoord?

Gertrude Steins magnifieke slotvraag tekent volgens Eagleton de verwarring die zich van ons meester heeft gemaakt: ‘een vraag over een vraag terwijl je op de rand van de nietigheid balanceert, lijkt me een geschikt symbool voor de staat waarin de moderne mens verkeert.’

Eagleton, voorheen een marxistische literatuurwetenschapper, laat zich de laatste jaren steeds meer gelden als een weinig dogmatisch, scherp cultuurcriticus, die blijmoedig de grote vragen onder ogen ziet. Hij is zich bewust van de aanmatigende pretentie van zijn onderwerp, zeker omdat hij geen professioneel filosoof is, en zet dan ook alles op alles om zijn lezers te verleiden met luchtigheid. Maar de vraag naar de zin van het leven mag dan volgens hem typisch een onderwerp zijn voor ‘the crazed or the comic’, tussen de spitse, speelse regels door wordt snel duidelijk dat het Eagleton menens is: juist nu, in een tijd waarin die vraag als dom en zinloos wordt weggehoond door postmoderne denkers of juist met rigide dogma’s beantwoord door fundamentalisten, is het nodig om je positie te bepalen.

In zijn recente werk, in boeken als After Theory (2003) en Holy Terror (2005), heeft Eagleton zich fel verzet tegen de hautaine onthechting van de postmodernisten, die de werkelijkheid als louter constructie opvatten en de mens voor eeuwig in zijn eigen hoofd laten ronddolen. Er is wel degelijk zoiets als een werkelijkheid, hoe moeilijk te doorgronden die ook is; een mens staat niet op zichzelf, maar verwezenlijkt zich in zijn relatie met anderen.

Postmodernisten zijn volgens hem als de terroristen die het onderwerp vormen van Holy Terror: nihilisten, die hun geloof in de wereld verloren hebben. De zinderende wanhoop van de 20ste-eeuwse modernisten – Kafka, Beckett – is omgeslagen in cynisme: men staat sceptisch tegenover alles wat lijkt op een ‘groot verhaal’, er heerst een agressief ongeloof in alles wat naar metafysica zweemt. Het postmodernisme, stelt Eagleton in The Meaning of Life, ‘has beliefs, to be sure, but it does not have faith’.

Bloedserieuze ondertoon

Daar tegenover staat het excessieve geloof van de radicale islam, die erop uit is de westerse beschaving te vernietigen met een overdosis aan metafysica. Vragen zoals Eagleton zich die stelt, zijn niet langer vrijblijvend en onderhoudend voer voor academici: er staat iets op het spel. Het is altijd op momenten van crisis, zegt hij, dat de vraag naar de zin van het bestaan zich opdringt, kijk maar naar Heideggers Sein und Zeit en Sartres L’être et le néant. Dat is de bloedserieuze ondertoon van Eagletons Wildeaans luchtige exercitie.

Volgens Heidegger is de mens het enige wezen dat zich vreemd voelt in de wereld. Eagleton voegt daar aan toe dat we daar veel meer last van hebben dan onze voorouders, die een vanzelfsprekend houvast hadden aan een vastomlijnd, door religie beheerst wereldbeeld. De angst voor de betekenisloosheid van modernistische schrijvers als Camus en Sartre vindt zijn oorsprong in hun nostalgie naar een tijd waarin het leven nog wél een immanente betekenis in zich leek te dragen. Maar als zulke schrijvers ervan overtuigd waren dat dat ook vroeger al een illusie was, vraagt Eagleton zich af, wat is er dan precies verloren gegaan? ‘Het leven mag dan misschien geen ingebouwd doel hebben, maar dat wil niet zeggen dat het futiel is. De nihilist is niets anders dan een gedesillusioneerde metafysicus. Levensangst is gewoon de achterkant van het geloof […] Alleen omdat je je valselijk verbeeldde dat de wereld op een of andere manier van nature betekenisvol kon zijn – een gedachte die het postmodernisme als onzinnig beschouwt – ben je zo onthutst wanneer je erachter komt dat dat niet zo is.’

Dat is de opdracht die Eagleton zichzelf stelt: betekenis vinden in een wereld die van nature geen betekenis zou hebben. Behendig slalomt hij langs de afgronden van zijn onderwerp. Wat bedoelen we eigenlijk wanneer we spreken van de zin van het leven? Wat bedoelen we eigenlijk wanneer we spreken van het leven? Hij verwerpt de notie dat de wereld een door God aangezwengelde metafysische bedoeling in zich draagt, maar evenzeer de overtuiging dat de enige betekenis in de wereld ligt in datgene wat we erop projecteren. Anders gezegd: een stoel is niet alleen maar een stoel omdat we het toevallig een stoel noemen. Betekenis is het product van een transactie tussen onszelf en de werkelijkheid, net zoals teksten en lezers onderling van elkaar afhankelijk zijn.

Flinke dosis Marx

In die wisselwerking vindt Eagleton het antwoord op zijn vraag. Niet hoe de wereld is, is het mystieke, citeert hij Wittgenstein, maar dat de wereld is. Betekenis moet gezocht worden in de relatie tussen ons bewustzijn en de werkelijkheid. Eagleton voegt daar een vleugje Aristoteles aan toe, en een flinke dosis Marx: een mens heeft aan zichzelf niet genoeg, hij moet uit zijn eigen hoofd stappen en de zin van het leven zoeken in zijn relatie met anderen. ‘De zin van het leven is geen oplossing van een probleem, maar een kwestie van een bepaalde manier van leven. Het is niet iets dat losstaat van het leven, maar datgene wat het leven de moeite waard maakt – dat wil zeggen, een zekere kwaliteit, diepte, veelheid en intensiteit van leven. Zo gezien, ligt de zin van het leven in het leven zelf, gezien vanuit een bepaald invalshoek.’

Op dat moment komen we in Eagletons betoog verdacht dicht in de buurt van het Zwitserleven-gevoel. Zijn ideaalbeeld van een zinvol bestaan, een jazz-ensemble waarin iedereen individu blijft en toch opgaat in een groter geheel, zou uit de mond kunnen komen van een duurbetaalde cursusleider die managers tijdens een bezinningsweekend de illusie van filosofische diepte verschaft. Zijn uiteindelijke credo, dat de zin van het leven gezocht moet worden in liefde, in belangeloos ruimte maken voor de ander (in de zekerheid dat die dat ook voor jou zal doen), staat lijnrecht op de huidige behoefte van steeds meer mensen naar eenduidigheid en onvervreemdbare eigenheid.

Dat is een groot probleem: Eagletons rationele betoog doet in laatste instantie een beroep op een gevoel. Ikzelf geloof ook in de wereldse mystiek van Wittgenstein, maar die geeft nauwelijks houvast in praktische zin. Hoe moet je daar naar handelen? Wat als je er niet gevoelig voor bent?

Eagleton beseft ook wel dat zijn antwoord alleen maar nieuwe vragen oproept, dat de vraag naar de zin van het leven vooral zinvol wordt door hem te stellen. Hij zegt het niet in zoveel woorden, maar het is duidelijk dat zijn grootse zorg niet een heftig filosofisch debat is, maar juist helemaal geen debat – uit postmoderne onverschilligheid, of omdat alle wezensvragen al afdoende beantwoord zijn in een heilige tekst. In die zin komt zijn essay als geroepen.