Voor troostmeisjes is geen tijd meer

De dubbelzinnige uitspraken van de Japanse regering over de kwestie van de ‘troostmeisjes’ hebben grote beroering gewekt. Alleen niet in Japan zelf. Daar wordt gezwegen.

Kyoto, 23 Maart. - In de Japanse samenleving wordt de consensus afgedwongen, zegt de jonge activiste Akiko Inari. „ Als je op internet kritiek uit over de wijze waarop de regering de kwestie van de troostmeisjes benadert, word je overstelpt met hatemail waarin je voor een Noord-Koreaanse spion wordt uitgemaakt”, weet ze.

Akiko Inari maakt deel uit van de afdeling Kyoto van het landelijke netwerk dat gerechtigheid eist voor vrouwen die in de Tweede Wereldoorlog door het Japanse leger werden misbruikt als seksslaven. Het netwerk is evenwel niet erg omvangrijk. Ook in de Japanse media wordt nauwelijks aandacht meer besteed aan de kwestie van de ‘troostmeisjes’.

Die aandacht was er in het verleden wel even. Begin jaren zeventig trok een reportage over het lot van troostmeisjes grote belangstelling. Maar het effect was van korte duur. „De gezichten en stemmen van de troostmeisjes bleven nog verborgen. Ook het idee dat hier sprake was van grove schending van mensenrechten was nog volkomen afwezig”, zegt de publiciste Rumiko Nishino.

Iedereen in Japan was al lang op de hoogte van het bestaan van de ‘afwerkbarakken’ voor soldaten, zegt Nishino, die de afgelopen twee decennia veel heeft geschreven over het onderwerp. „Op school en thuis werd er over gezwegen. Maar in naoorlogse films, strips en boeken kwamen gewoon troostmeisjes voor. Het algemene beeld bleef echter dat van gewone prostituees.”

In de jaren ’90 voltrok zich een omslag. De getuigenissen van een aantal voormalige Koreaanse troostmeisjes trokken in 1991 internationaal grote aandacht. Ook in Japan kwam het ‘vergeten’ onderwerp naar boven. Enkele slachtoffers kwamen naar Japan om hun verhaal te vertellen. Vooral vrouwen toonden medeleven.

Mede onder de groeiende buitenlandse druk besloot de Japanse regering in 1993 om officieel verontschuldigingen aan te bieden voor het leed dat was berokkend door toedoen van het Japanse leger. Er werd zelfs een fonds voor schadeloosstelling opgericht – hoewel dat formeel onder particulier toezicht staat. En in 1997 werden de misdaden tegen de troostmeisjes opgenomen in alle geschiedenisboeken op school.

Toen kwam echter de grote kentering – onder invloed van revisionistische historici die hun stem verhieven tegen wat zij de ‘zelfvernederende geschiedschrijving’ noemen.

[Vervolg JAPAN: pagina 5]

JAPAN

‘Ze zijn gewoon verkocht’

[Vervolg van pagina 1] Ook jonge parlementariërs binnen de dominante regeringspartij LDP benadrukten het belang van patriottisme. „Binnen deze groep had de huidige premier Shinzo Abe het voortouw”, vertelt activiste Inari. „Op zijn homepage viel zelfs te lezen dat de kwestie van de troostmeisjes alleen is bedoeld om de aandacht af te leiden van de misdaden van Noord-Korea.”

De meest succesvolle agitator was echter de stripschrijver Yoshinori Kobayashi. Zijn trilogie Over Oorlog wist hele jonge generaties te vangen voor een herinterpretatie van Japans aandeel in de Tweede Wereldoorlog als een nobel streven ter bevrijding van Azië. Kazuyuki Nagai, taaldocent in Osaka, is daardoor beïnvloed. „Er was geen sprake van dwang door het leger. De troostmeisjes zijn niet geronseld. Ze zijn verkocht door hun ouders, maar durven dat harde feit niet onder ogen te zien.”

Sinds twee jaar geleden vermelden de schoolboeken de troostmeisjes niet meer. Overgebleven is slechts de algemene formulering van ‘de grote schade die Japan tijdens de oorlog heeft toegebracht aan velen, onder wie vrouwen en kinderen’.

Er is geen geschiedenisdocent die wil vertellen of en hoe de kwestie in de klas aan bod komt. De onderwijscommissie die de schoolboeken voor de stad Kyoto selecteert en de leerdoelen vaststelt, meldt dat er niet apart aandacht wordt geschonken aan de troostmeisjes. „Er is een groot tijdgebrek en de moderne tijd wordt sowieso afgeraffeld”, zegt een lerares.

Toch zijn veel mensen wel op de hoogte van het lot van de troostmeisjes. „Ik was geschokt toen ik voor het eerst van het bestaan van troostmeisjes hoorde”, zegt bankemployee Kazuko Morita. „Ook al valt niet alles meer te bewijzen, hun moed in het openbaar over hun pijnlijke ervaringen te praten, spreekt boekdelen. Dat mag je niet afdoen als leugens.”

De jonge welzijnswerker Kenichiro Okabe vergelijkt de houding van de regering met die van Noord-Korea in de slepende kwestie van door Pyongyang ontvoerde Japanse burgers. „Het geeft geen pas domweg te herhalen dat de kwestie is afgehandeld, terwijl dat overduidelijk niet het geval is.”

Veel scholieren weten echter van niets. Een meisje van zestien kwam het onderwerp vorige maand toevallig tegen in een naslagwerk. „Het was niet goed”, oordeelt ze, terwijl ze door blijft giechelen met haar vriendin.

Actievoerster Inari zegt dat de media medeverantwoordelijk zijn voor de lethargie. „Sinds de ruk naar rechts onder [de vorige premier] Koizumi zijn de media als de dood om als links, pro-China of pro-Korea te worden afgeschilderd”, zegt ze. „De kwestie van de troostmeisjes lijkt zelfs helemaal taboe geworden.”

Dat verklaart wellicht waarom de recente uitlatingen van premier Abe over het ontbreken van bewijs, in eigen land amper werden vermeld. „Bijna alle televisiezenders zijn commercieel. De kwestie schrikt adverteerders af”, legt medeactivist Toshiya Morita uit.

Ook de grote kranten houden zich afzijdig. Alleen de Okinawa Times besteedde in 2005 aandacht aan de opening van het ‘troostmeisjesmuseum’ in Tokio. „We moeten het hebben van een of twee bevriende journalisten”, verzucht Morita. „Het tij lijkt definitief gekeerd.”