Volksschouwburg, kunstschouwburg

Er is geen crisis in het theater. Wel in de programmering. Schouwburgdirecteuren moeten zich opnieuw bewust worden van hun publieke taak. Slot van een korte serie over de ‘crisis’ door onze theaterredacteur.

Toneel is te moeilijk, te slecht en te versnipperd, daarom is het publiek terecht afgehaakt. Dat is de toon van de vele kritische rapporten en redes die over het toneel verschijnen. Aktie Tomaat, de toneelrevolutie van 1969, heeft volgens de betrokkenen een onbeheersbaar monster gecreëerd dat al het publiek uit de schouwburgen jaagt. Het is tijd voor restauratie, een gedeeltelijke terugkeer naar het oude systeem van een beperkt aantal grote gezelschappen die voor elk wat wils brengen.

Opvallend aan deze eenzijdige mening is dat zij zo breed gedragen wordt. De directeuren van de VNT, belangenvereniging der toneelmakers, én de VSCD, de schouwburgenvereniging, roepen het. De Raad voor Cultuur roept het, regisseur Ivo van Hove roept het. Kinderen en kleinkinderen van de revolutie – onder wie directe erfgenamen als De Appel en het Onafhankelijk Toneel – hebben hun handtekening gezet onder het restauratieplan ‘Weg met ons!’.

Hoewel de samenwerking in de hopeloos verdeelde kunsttak mij helemaal warm van binnen maakt, ben ik niet gelukkig met het overal opduikende woord ‘toneelcrisis’. Wéér een toneelcrisis.

Nee, er is geen algemene toneelcrisis. Er is in Nederland steeds meer toneel voor steeds meer mensen. In de acht jaar dat ik professioneel toneel kijk, heb ik geen afname van de kwaliteit waargenomen. Vergeleken bij de gouden jaren negentig, toen de theatercijfers ongekend stegen, is er nu enige terugloop, maar vergeleken alle tijdvakken daarvoor gaan er nog altijd meer mensen naar toneel dan ooit.

En als het schouwburgtoneel

in de knel zit, zegt dit niets over het theater in zijn geheel, dat zich – sinds de zegeningen van Aktie Tomaat – immers in grote mate buiten de schouwburgen afspeelt, in tenten, autosloperijen, kerken en kleine zalen. Dat zogenaamde ‘vlakke-vloertheater’ is zeer wijdvertakt, het woekert, en is ongetwijfeld onbeheersbaar. Maar waarom moet het ook beheerst worden? Misschien hoort dat theater voor vele kleine publiekjes wel bij deze tijd, waarin de hele cultuurmarkt uiteen is gevallen in talrijke deelpublieken en subculturen. Kijk maar naar de tv, de arthouse-bioscopen, YouTube, iPod. Dat het grote publiek, dat gezamenlijk naar hetzelfde luistert of kijkt, grotendeels verloren is gegaan, wil nog niet zeggen dat er een cultuurcrisis is.

Maar goed, de schouwburgen, daar is wel wat aan de hand. Er is een programmeringscrisis, niet te verwarren met een artistieke crisis. Steeds meer schouwburgen schrappen gesubsidieerde toneelvoorstellingen om plaats te maken voor musical, cabaret, theaterconcerten, showdans en ander vermaak. Het publiek wil geen toneel meer zien, is de officiële reden, en voor die andere vormen van vermaak is wél veel belangstelling. Je kunt beter stellen dat het aanbod en variëteit aan andere theatervormen gigantisch is toegenomen, waardoor kunsttoneel in de verdrukking komt.

De betrokkenen leggen de schuld vooral bij de toneelgezelschappen die niet meer leveren wat de mensen willen hebben. Dat verdient enige nuancering. Ten eerste worden groepen juist gesubsidieerd omdat ze geen publieksvermaak leveren, maar iets wat moeilijker verkoopbaar en toch waardevol genoeg is om te behouden. Bovendien: wat wil het volk? Je moet mensen niet alleen geven wat op hun verlanglijst staat. Je moet mensen juist iets geven waarvan ze nog niet wisten dat ze het wilden hebben. Tussen publiek en voorstelling zitten schouwburgdirecteuren, die in de nek worden gehijgd door cultuurwethouders die bezuinigen moeten, en daar zit de flessenhals.

Hoewel de grote gezelschappen en de schouwburgen nu gezamenlijke optrekken met hun hervormingsplannen, hebben ze grote moeite om elkaar te vinden en te verstaan. De gezelschappen klagen erover dat bij de schouwburgen niemand de telefoon opneemt. De schouwburgen klagen dat de arrogante gezelschappen uit chic onbenul niet weten hoe zij zichzelf moeten verkopen.

Zij sturen hun foldertje naar de e-mailbak info@schouwburg.nl, waar nog achthonderd andere mails inzitten, en ze gaan er dan vanuit gaan dat de directeur ze er vanzelf uitvist en ze gretig boekt. VSCD-man Hans Onno van den Berg vatte die houding samen met: „Men moet ons kennen, we zitten in de Cultuurnota!”

Bij de gezelschappen kan inderdaad veel verbeterd worden aan de handelsgeest. Te denken valt bijvoorbeeld aan het centraal aanbieden van pakketten voorstellingen (‘bij aankoop van drie avonden Maria Goos, één avondje Provily cadeau!’), zoals de vrije producenten dat doen. Maar de schouwburgen zouden zich ook eens kunnen bezinnen op hun taak. Het zijn geen bedrijven met winstoogmerk, maar gesubsidieerde kunstinstellingen, die verplicht moeten worden om aan hun publieke taak te voldoen, en niet alleen een doorgeefluik te zijn van commercieel vermaak.

De meeste voorstellingen

worden op ‘partage’ geboekt; de kaartopbrengst gaat voor zo’n tachtig procent naar de gezelschappen en producenten. Om te garanderen dat ze uit de kosten komen willen deze doorgaans een garantiesom, een bedrag dat ze hoe dan ook krijgen. Als de zaal minder dan halfvol zit, is de garantiesom hoger dan de opbrengsten, en is de schouwburg het haasje.

Een rekenvoorbeeld: als Maastrichts toneelgezelschap Zwarte Christus langskomt in de schouwburg van Venlo, wil de groep een garantiesom van 4.000 euro. Als er 250 mensen komen kijken, waardoor er zo’n 4.500 euro in de kassa zit, is de garantiesom groter dan de hele opbrengst. Gezelschap tevreden, maar de schouwburg moet bijbetalen. Begrijpelijk dus dat de directeuren dat slechts mondjesmaat willen.

Maar ter nuancering dien je te bedenken dat iedere schouwburg in Nederland met minder dan duizend stoelen hoe dan ook verlies draait. Als het Limburgse cabaretduo De Limbo Bimbo’s een week later langskomt in Venlo, is de zaal van zeshonderd stoelen gegarandeerd uitverkocht. Van de 12.000 euro in de kassa nemen De Limbo Bimbo’s bijna 10.000 euro mee naar huis. De schouwburg houdt dan wel 2.000 euro over, maar dat is lang niet genoeg om de kosten van gebouw en exploitatie te dekken, ook niet als je de 600 kopjes koffie erbij optelt. De gemeente moet hoe dan ook voor zo’n veertig procent van de kosten bijspringen.

Het lijkt nu vaak alsof de vrije markt – cabaret, musical, een paar toneelproducenten – het veel beter doet dan het gesubsidieerde toneel. Maar de werkelijkheid is dat er geen vrije theatermarkt bestaat in Nederland; er zijn geen producenten die werkelijk alles zelf betalen. Iedereen wordt indirect, via de schouwburgen, door de overheid gesteund. De enige uitzondering is Joop van den Ende, die immers zijn eigen theaters bezit en betaalt. Maar ook hij maakt reisvoorstellingen die profiteren van dit systeem.

Dat lijkt me oneerlijke concurrentie. Als vrije producenten werkelijk zelf zouden betalen voor de kosten van zo’n avondje schouwburg, dan zouden ze achter elkaar failliet gaan. Dat is ook weer niet wenselijk, maar het zou niet zo vreemd zijn als de gemeentes het subsidiëren van een kwetsbaar avondje kunsttoneel anders zouden beoordelen en steunen, dan een onverwoestbaar middagje Kabouter Plop.

De laatste jaren zijn er veel schouwburgen bijgebouwd om aan de groeiende vraag naar theater tegemoet te komen. De meeste nieuwe theaters zijn bedoeld voor amusement, daarom is de traditionele toneelschouwburg in ieder geval numeriek in de verdrukking gekomen.

Er zou een heldere verdeling moeten komen tussen Kunstschouwburgen, met ruimte voor toneel, en Volksschouwburgen, amusementstheaters die louter openstaan voor vermaak, plaatselijke amateurkunst en personeelsavonden. Nederland wordt dan verdeeld in toneelregio’s, waarbij iedere regio genoeg toneelpubliek moet bevat voor minstens één uitverkochte zaal per twee weken. Iedere regio krijgt één Kunstschouwburg. De andere schouwburgen van de regio worden dan Volksschouwburgen. Vanzelfsprekend draaien alle gemeentes van de regio op voor de exploitatie van die ene Kunstschouwburg. Bij de Volksschouwburgen mogen de gemeentes dan zeuren over kijkcijfers, bij die ene Kunstschouwburg moet zij vooral naar de artistieke waarde kijken.

Dit is het vierde en laatste deel van een serie artikelen over de vermeende crisis in het Nederlandse theater. Eerdere delen verschenen in het eerste katern van deze krant op 15, 16 en 17 maart.

Volg de discussie over het theater op www.nrc.nl/kunst