Tot diep in de vezels geassimileerd

Thomas Hürlimann: Vierzig Rosen. Ammann Verlag, 365 blz. €21,–

‘Schrijvers die je kunt citeren’, aldus Thomas Mann, ‘zijn meestal niet de moeite van het citeren waard’. Ook als je dit bon mot niet letterlijk neemt, schuilt er veel waarheid in. Bij de grote auteurs gaat het vooral om wat tussen de regels staat en zich moeilijk met een citaat laat illustreren. Vaak zijn het schrijvers met een diffuus wereldbeeld, zonder herkenbare, laat staan vooropgezette ideologie. Kafka, Woolf en Proust zijn goede voorbeelden.

Ook de Zwitser Thomas Hürlimann (1950) is een schrijver die je nauwelijks kunt citeren. Zelfs het benoemen van zijn centrale thema lijkt een heksentoer. Vaak schrijft hij over verval en sterfte, maar hij doet dat zo luchthartig en speels dat de zwaarte van het onderwerp meteen wordt opgeheven. Martin Walser, zeer onder de indruk van zijn jongere collega, sprak ooit van Hürlimanns ‘indirecte manier’ van vertellen; ‘Schwere mit Schwung’ zou zijn handelsmerk zijn.

Thomas Hürlimann is van boek tot boek beter, soevereiner en ook komischer geworden. In 1989 trok hij internationaal de aandacht met de novelle Het tuinhuis, over een dementerende kolonel die een merkwaardige passie opvat voor een zwerfkat. Vijf jaar geleden prijkte zijn in een kloosterbibliotheek gesitueerde vertelling Juffrouw Stark op de Duitse bestsellerlijsten; en onlangs heeft hij dit succes nog overtroffen met de roman Vierzig Rosen, zijn omvangrijkste en ambitieuste werk tot nu toe.

Conservatorium

Dit keer gaat Hürlimann ver terug in de tijd. Vier generaties van de Zwitsers-joodse textielfamilie Katz voert hij ten tonele, die in de 19de eeuw vanuit Oost-Europa naar het Alpenland is getrokken. Hoofdpersoon is de in 1926 geboren Marie Katz, wier grootvader (‘Seidenkatz’ omdat hij gespecialiseerd was in zijde) de basis legde voor de aanzienlijke rijkdom van de familie. Marie is een stijlvolle vrouw met artistieke en intellectuele belangstelling; tijdens haar studiejaren op het conservatorium discussieert de talentvolle pianiste graag over Gide, Sartre of Arnold Schönberg. Na de Tweede Wereldoorlog geeft ze haar loopbaan op voor een huwelijk met de degelijke Zwitser Max Meier, in veel opzichten haar tegenpool. Meier is van eenvoudige afkomst, het prototype van de sociale klimmer. Status, macht en invloed vormen zijn idealen. Binnen de katholieke partij maakt hij carrière als politicus en uiteindelijk wordt hij een van de meest invloedrijke bestuurders van het land.

Interessant is de vorm die Hürlimann heeft gekozen. De schitterende, licht groteske openingsscène, die meteen de toon zet, laat Marie bij haar ochtendtoilet zien; ze is jarig en wacht op de bloemist die haar even later veertig rozen zal brengen. Ieder jaar krijgt Marie veertig rozen van haar echtgenoot, ook als ze die leeftijd al gepasseerd is; een mooie geste die Marie met haar angst voor ouderdom op waarde weet te schatten. Later op de dag vertrekt ze per auto naar de hoofdstad waar haar man voor haar een feestdiner organiseert. De handeling, die maar enkele uren beslaat, wordt telkens onderbroken door lange flashbacks waarin Maries jeugd en haar familiegeschiedenis worden beschreven.

De familie Katz bekeerde zich na de Eerste Wereldoorlog tot het katholicisme en is in het streven naar assimilatie opvallend ver gegaan; enkele tantes van Marie werden missiezuster in Afrika, haar bigotte broer trok het priesterkleed aan en werd kloosterbibliothecaris. Toch bleef men in de jaren dertig en veertig niet gevrijwaard van antisemitisme. De joodse firmanaam moest van het fabrieksgebouw worden verwijderd, Marie werd door sommige klasgenoten genegeerd en de slager spuwde zelfs op de grond als het donkere meisje door de straat liep.

Wortel

Op indrukwekkende wijze, zonder te moraliseren, laat Hürlimann zien dat het voor de joden ook in het neutrale Zwitserland niet helemaal pluis was. Overigens kan ook Maries naoorlogse huwelijk met de opportunistische Meier (het echtpaar krijgt een zoon, die later ernstig ziek wordt) als een vorm van overassimilatie worden beschouwd. ‘Eindelijk zal het ons Katzen lukken om in deze bodem wortel te slaan’, zegt ze als het huwelijk een feit is. Max Meier op zijn beurt heeft Marie al evenzeer nodig, want een stijlvolle vrouw uit een goed milieu is precies wat hij voor zijn carrière kan gebruiken.

Het portret van Marie Katz behoort tot de glansstukken van deze roman. Marie is een gevoelige vrouw met een sterke vaderbinding (haar moeder overleed vroeg) en een opvallende angst voor lichamelijk verval en ziekte. Maar ze heeft ook een levenslustige en tamelijk onconventionele kant; haar beste en uiteindelijk misschien wel enige vriend is een kunstschilder, die tevens als haar kapper optreedt. Ook in haar houding tot echtgenoot Meier beeldt Hürlimann haar ambivalent af. Enerzijds drijft ze graag de spot met het gebrek aan elegantie en goede omgangsvormen van de politicus, maar anderzijds is ze bepaald niet ongevoelig voor zijn viriliteit en doorzettingsvermogen.

Het is een aardige bijkomstigheid om te weten dat Vierzig Rosen in Zwitserland als sleutelroman wordt opgevat. De vader van Thomas Hürlimann was een bekende politicus die zelfs korte tijd Zwitsers bondspresident is geweest, en zijn moeder had een joods-grootburgerlijke achtergrond. In de roman Der grosse Kater (1998) heeft de schrijver het echtpaar al eerder afgebeeld, zoals ook de kloosterbibliothecaris voor Hürlimann-liefhebbers geen onbekende is; hij speelde een hoofdrol in Juffrouw Stark.

Als vanouds maakt Thomas Hürlimann indruk met zijn schitterende stijl en muzikaliteit. Maar in Vierzig Rosen lijkt hij nog net iets beter op dreef dan in zijn voorafgaande werk. Hier is een liefhebber van fijne humor en ironie, van schitterende dialogen (Hürlimann is ook een verdienstelijke toneelschrijver) en taalgrappen aan het woord; en er is weinig durf voor nodig om de Zwitser na Günter Grass en misschien nog Elfriede Jelinek tot de beste stilisten onder de hedendaagse Duitstalige schrijvers te rekenen. Sommige hoofdstukken uit Vierzig Rosen zijn onvergetelijk. Dat geldt voor het grotesk-hilarische fragment waarin beschreven wordt hoe Marie Katz en Max Meier elkaar leren kennen, of voor de episode waarin Marie op een hoteltoilet overvallen wordt door aanvallen van melancholie.

Pas op de laatste vijftig bladzijden wordt Hürlimanns taalkracht iets geringer; hij wil dan plotseling te veel vertellen. Maar dat is misschien wel de enige smet op dit schitterende boek – een van de mooiste Duitse romans van de laatste jaren.