Tegel kapot. De cel in!

Ton van den Brandt: Amsterdamse zaken. De rechtbank en de stad. Bas Lubberhuizen, 248 blz. €27,90

Bestaat er een typische Amsterdamse manier van rechtspreken? Dat vraagt Ton van den Brandt pas aan het einde van zijn boek Amsterdamse zaken. De rechtbank en de stad. Voor het antwoord beschrijft hij aan de hand van niet eerder gepubliceerd archiefmateriaal en rechterlijke uitspraken de geschiedenis van de Amsterdamse rechtspraak van 1934 tot eind jaren negentig.

Een 18-jarige kappersbediende die een steen had gegooid, een 36-jarige dagloner die een agent zou hebben gestompt, een 25-jarige boekbinder die vier horloges en twee kettingen uit een geplunderde bank in bezit had. Het Jordaanoproer van 1934, veroorzaakt door werkloosheid en armoede, waarmee het boek begint, bestond vooral uit dit soort kleine overtredingen. Maar die werden zwaar bestraft. Een man die een trottoirtegel kapotgooide, kreeg twee maanden cel. Waarom pakten de Amsterdamse rechters dit ‘geweld’ zo hard aan?

Volgens Van den Brandt kwam er in de jaren dertig een stroming op die vond dat de individuele vrijheid beperkt mocht worden ten behoeve van maatschappelijke veiligheid.

Van deze ‘kleinigheden’ gaat het naar de oorlogsjaren, de stakingen in de jaren vijftig, de nozems en de provo’s in de jaren zestig, de krakersopstand, Maagdenhuisbezetting tot aan de voorkennisperikelen op de beurs en grote drugszaken eind jaren negentig, die sindsdien tot het standaardrepertoire van de rechtbank behoren. Van den Brandt beschrijft deze zaken gedetailleerd. Het namenregister beslaat vier pagina’s, terwijl de meeste daarin genoemde rechters en advocaten maar een enkele keer voorbijkomen.

Hoewel Van den Brandts schrijfstijl lichtelijk is aangetast door juridische stukken die hij moest lezen, is Amsterdamse Zaken toch een interessant boek. Het laat namelijk zien hoe de tijdgeest veranderd is. Begin jaren dertig kreeg een Chinese opiumhandelaar die 94 kilo in bezit had, slechts twee maanden cel. Een beetje drugszaak loopt nu in de jaren. Maar Amsterdamse zaken laat ook zien dat de vragen van begin jaren dertig steeds opnieuw beantwoord moeten worden: gaat de maatschappelijke veiligheid boven de rechten van het individu?

Elke stad krijgt de rechtbank die zij verdient, schrijft Van den Brandt. ‘De stad stelde bepaalde eisen en de rechtbank ging daarin mee. Vond een aanzienlijk deel van de samenleving dat porno vrijgegeven moest worden, dan gebeurde dat uiteindelijk. Werd de woningnood door een deel van de Amsterdammers als een probleem ervaren, waarop kraken wellicht een moreel legitiem antwoord vormde, dan werd kraken waar mogelijk toegestaan.’

Of is het andersom? Wie beïnvloedt wie? Veranderen de ontwikkelingen in de stad de rechters, laten zij zich ook beïnvloeden door de tijdgeest of zetten zij de samenleving naar hun hand? Die vraag mag men na lezing zelf beantwoorden. Net als de vraag of er typische Amsterdamse rechtspraak bestaat.