Roman met plaatjes

Als de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek me zou vragen het motto voor de volgende Boekenweek te bedenken, zou ik zonder aarzelen antwoorden: het Boek en de Plaatjes. Tussen tekst en beeld bestaat een grote verscheidenheid van combinaties. Het gemeenschappelijk kenmerk is dat ze dienen tot wederzijdse verduidelijking. Het begint bij het leesplankje. Weet het kind al vóór het kan lezen wat een aap is? Nadat het de twee a’s en de p als heeft leren herkennen als het woord dat bij de apenkop hoort, heeft het een grote vordering gemaakt zowel in het lezen als in de dierkunde. Bij Does (hok, weide, schapen) wordt het moeilijker. Er zijn kinderen die eerst tot de conclusie komen dat er een diersoort is die does wordt genoemd en dat sommige doezen Hond heten.

Dan komt het prentenboek met langere teksten. Sommige kinderen, hoewel steeds minder, kijken in de krant, lezen de fotobijschriften. Ze beginnen aan de boeken voor grotere kinderen. Die zijn allemaal geïllustreerd. Pietje Bell geeft zijn knipoog, Dik Trom zit achterstevoren op zijn ezel. Worden dergelijke boeken nog gelezen of zitten ze tegenwoordig allemaal te chatten? Dan krijg je de strip en het beeldverhaal waarin tekst en beeld tot eenheid zijn verheven. Sjors van de Rebellenclub, Dick Bos, Guust Flater, Dick Tracy, een oud en bloeiend genre voor kinderen en grote mensen. En daarnaast heb je de sprookjesboeken. Illustraties onmisbaar. Je kunt wel een nauwkeurige beschrijving van een heks, een draak, een trol lezen, maar er gaat niets boven de verbeeldingskracht van een geniale illustrator.

En verder hebben we het uitgebreide genre van de wonderbaarlijke en sterke verhalen. Hoe moet je je Baron von Münchhausen voorstellen terwijl hij zich aan zijn haren met paard en al uit het moeras trekt? Terwijl hij zittend op een kanonskogel zich uit een belegerde vesting redt? Wat maakt je verbeeldingskracht van Dante’s negen hellekringen? Raadpleeg de illustraties van Gustave Doré. Die kon zich niet alleen alles voorstellen, maar het ook in de nauwkeurigste gravures op papier brengen. Doré schrok voor niets terug en hij blijft modern.

En nu hebben we een nieuw soort vertelling: een verhaal in tekeningen met tekst op grondslag van een bestaand werk. Ik geloof dat Dick Matena de uitvinder is. Hij heeft Reve’s De avonden op zo’n manier behandeld dat er iets volstrekt nieuws is ontstaan zonder dat het oorspronkelijke is prijsgegeven. Lees en kijk ik in De avonden van Reve/Matena, dan loop ik door het Amsterdam van Frits van Egters. Matena werkt nu aan Ulysses van James Joyce en Kaas van Willem Elsschot.

Maar intussen is één genre in onbruik geraakt: dat van de geïllustreerde roman. Een voorbeeld. Bel ami van Guy de Maupassant is verschenen in 1885 met gravures van Ferdinand Bac. Tegenover pagina 100 roept een deftig aangeklede vrouw de lezer toe: „Houdt haar tegen! Houdt haar tegen! Ze heeft mijn minnaar gestolen.” Op de achtergrond verdwijnt de dievegge in gezelschap van een man met een hoge hoed. Zo valt er meer aangrijpends te zien. Melodrama leent zich goed voor verbeelding.

Waarom worden romans niet meer geïllustreerd? Omdat de schrijvers het niet willen? Omdat de uitgevers er geen brood in zien? Ik weet er zo een paar die met realistische plaatjes aan een nieuw leven zouden kunnen beginnen. De huid van Curzio Malaparte bijvoorbeeld of zijn Kaputt. Allebei rijk aan hoogst dramatische scènes die om visualisering smeken. Is George Orwells 1984 ooit met illustraties verschenen? Mario Puzo’s The Godfather? Zo niet, waarom niet? Je kunt je zelfs voorstellen dat een romanschrijver en een illustrator in vereniging optreden. De schrijver verzint een bedenkelijk of lieftallig personage, de tekenaar maakt er nog iets bedenkelijkers of lieftalligers van, en wie profiteert? De lezer! Met dat doel is de Boekenweek uiteindelijk opgezet. En mij lijkt zo’n compagnonschap een verrijking van de literatuur en de illustratiekunst. Daarom heb ik het opgeschreven.