Ongepolijste juweeltjes van Colom

Joan Colom: El Raval. T/m 13 mei in Foam, Keizersgracht 609, Amsterdam. Open: dagelijks 10-17 (do en vij tot 21), 30 april gesloten. Informatie: 020 5516500 of www.foam.nl.

Joan Colom (1921) werkte veertig jaar als boekhouder op hetzelfde kantoor in zijn geboortestad Barcelona. Rond zijn 35-ste kocht hij een camera en werd lid van een fotoclub. Die camera beviel hem maar de fotoclub niet: het ging hem niet om het schieten van mooie plaatjes. Hij meende dat fotografie de werkelijkheid moest laten zien. Die vond hij in de Raval, de rosse achterbuurt van de stad: de plek – ook in het Spanje van toenmalig dictator Franco – waar de publieke moraal haar ware gedaante toont.

Van 1958 tot 1961 struinde Colom er ieder weekend door de straten en fotografeerde de balts van man en vrouw. Hij werkte uit de losse pols, de camera op heuphoogte verscholen in zijn hand. Veel controle op wat er op zijn foto’s kwam had hij zo niet maar in de donkere kamer viel veel te repareren. Met dunne reepjes papier markeerde hij nauwgezet op proefdrukken de betere uitsnede – halve straten, muren en mensen verdwenen, wat scheef stond zette hij recht- om vervolgens de negatieven langs de aangegeven lijnen nog eens opnieuw af te drukken.

Begin jaren zestig had hij enkele exposities en in 1964 werden zijn foto’s door de schrijver – en latere Nobelprijswinnaar – Camilo José Cela gebruikt in een van zijn boeken. Erkenning zou je denken, maar het boek veroorzaakte nogal ophef. Waaruit die bestond en welk aandeel de foto’s erin hadden is niet helemaal duidelijk. Maar voor Colom was het voldoende om met fotograferen te stoppen.

De foto’s werden weggeborgen om pas na Coloms pensionering nu en dan weer op te duiken, meestal in overzichtsexposities van Catalaanse fotografie; in 2002 kreeg hij er een nationale onderscheiding voor. Een jaar later kwamen ze onder ogen van Henri Cartier-Bresson, aan het begin van zijn eigen aanmerkelijk succesvollere carrière eveneens een enthousiast fotograaf van het hoerenstraattheater. En zo kon het gebeuren dat de inmiddels 85-jarige Joan Colom pas vorig jaar in het Fondation Henri Cartier-Bresson in Parijs zijn eerste buitenlandse expositie had. Deze is nu aangeland in het FOAM in Amsterdam.

Aantrekkelijke foto’s zijn het, althans voor wie van ruw houdt: groezelig zwart-wit, soms neigend naar onscherpte, broeierige schaduwen – het beeldgebruik is typerend voor de periode en de amateur Colom hanteerde het met opvallende verve. Een robuuste vrouw die in de deuropening van een café nog even haar onderkleding op orde brengt, een hebberige mannenhand oplichtend tegen het zwart van een rok; het zijn ongepolijste juweeltjes. Zijn steelse foto’s blijven ook na een halve eeuw nog even herkenbaar als aanstekelijk.

Maar als portret van de Raval is het geheel (75 foto’s, de catalogus bevat 50 meer) minder overtuigend. Een uithangbord boven een café of logement, een dansje achter een open deur – echt veel diepgang geeft het niet. Eigenlijk is de Raval niet meer dan een achtergrond waartegen bewoners en ‘gebruikers’ als figuranten optreden in een bijna tijdloos rollenspel.

Nergens ging Colom naar binnen, vrienden maakte hij niet, meedoen deed hij evenmin. Hij bleef een buitenstaander die het theater maar niet het leven uit de werkelijkheid wist te destilleren.