Nar op bestelling

Van de Belastingdienst tot gemeente Skarsterlân – acteurs verzorgen sollicitaties, teambuildingssessies en communicatietrainingen. „Stop! Marie moet haar fout erkennen.”

In een Utrechts zakencentrum wacht de trainingsacteur Aafke van der Meij op het moment dat ze kan beginnen. Van der Meij, veelzijdig theatervrouw, heeft gisteren nog in Carré gestaan, in de rock-musical Grease. Met honderden toeschouwers en een lang applaus. Straks moet ze haar kunsten op negen cursisten van de Belastingdienst loslaten. Die hoeven niet voor haar te klappen.

„De trainingsacteur heeft een dienstbaar beroep”, zegt ze. „Wij zijn levend oefenmateriaal.” Ze groet een collega die in een zijkamer verdwijnt om al toneelspelend een rechter op zijn geschiktheid te testen.

Ongeveer tweeduizend acteurs werken voor bedrijven en organisaties. Zij komen van pas bij sollicitaties, teambuildingssessies en communicatietrainingen en worden steeds breder ingezet. Ze zwermen dagelijks uit naar bedrijfsterreinen en conferentieoorden, waar zij zich onder managers, verkopers, telefonisten, secretaresses, ambtenaren, artsen of agenten mengen.

Van der Meij moet op, samen met haar tegenspeler Robert Stegeman. Bij de cursus Aanspreken: Hoe? Zo! verandert zij in Marie en hij in George: een koppel dat binnen de kortste keren ruzie maakt, met geschreeuw en slaande deuren. Marie overvalt George met de mededeling dat ze dit weekend naar Tropicana gaan, een gezellig uitje met het hele gezin. Ze zouden immers elk weekend iets leuks gaan doen? Maar George heeft andere plannen. hij wil de radiator repareren en baalt ervan dat zijn vrouw zo doordramt.

Aan de negen jonge medewerkers van de Belastingdienst de taak om deze scène uit het dagelijks leven vriendelijker te laten verlopen. Ze moeten ‘stop’ zeggen als hen iets niet bevalt en ze mogen alleen Marie, die George zo vruchteloos aansprak, aanwijzingen geven. „Stop! Marie moet rustiger praten!”, roept iemand algauw. Een ander: „Stop! Zij moet beter luisteren!” En weer iemand anders: „Stop! Marie moet haar fout erkennen.”

Opnieuw en opnieuw spelen Stegeman en Van der Meij de scène. Ze bedienen de toeschouwers op hun wenken en blijven toch eigenwijs. Vriendelijkheid of boosheid overdrijven ze een fractie. Bij het beluisteren van het publiekscommentaar blijven ze in hun rol. „Hij is eigenlijk een schat, hoor”, zegt Marie aan het eind over George. En in een geheel nieuwe scène waarbij de twee acteurs personeelsleden van de Belastingdienst spelen zegt Stegeman als Kees: „O, ik moet slijmen dus. Sommige dingen mag ik gewoon niet zeggen, ook al vind ik ze.”

„Je moet”, licht Stegeman na de sessie toe, „het publiek een beetje prikkelen, een beetje uitdagen.” Stegeman en Van der Meij werken voor Acteursbureau Kapok en wat we zojuist zagen heet volgens Kapok regietheater: het publiek regisseert de acteurs. Het is voor een opdrachtgever een hele klus om te beslissen welk bureau hij in de arm wil nemen – zo veel zijn er inmiddels. En dan: welke werkvorm zal hij bestellen? De Carrousel of toch liever de Estafette? De Boetseermethode of de Clinic? De Geeltjes of de Maatjes?

Favoriet bij veel werkgevers

is de Praktijksimulatie. Een cursist draagt een situatie uit het dagelijks werk aan en een acteur speelt daar op in. Of de acteur bootst een praktijksituatie na en de cursist moet er al spelend op reageren. Waar zulke werkvormen voor het eerst werden ingezet? Bij de politie, vijfentwintig jaar geleden. Een burger die door het lint ging als hij bekeurd werd moest worden beteugeld en de politie zag al snel in dat je conflictbeheersing met behulp van acteurs kunt trainen.

Ook klantvriendelijkheid wordt vaak met acteurs geoefend. Bij de gemeente Skarsterlân in Friesland bijvoorbeeld. De telefonische bereikbaarheid moet beter, bleek uit een onderzoek, en een speelse communicatieadviseur belde het theaterbureau LivingTale.

Voor een zaal met zo’n zestig ambtenaren in het gemeentehuis houden drie acteurs het publiek een spiegel voor. We zien een ambtenares die een beller van het kastje naar de muur stuurt, twee oude vrouwen die over de vergoeding van een rollator onbegrijpelijke informatie krijgen en, als klapstuk, een hoge piet van de gemeente die tijdens een beraad over de slechte telefonische bereikbaarheid botweg de hoorn ernaast legt.

Ook nu moet het publiek daar waar de personages de fout in gaan ingrijpen. De adviezen aan de nep-ambtenaren variëren van ‘Ze moet dóórvragen’ tot en met : ‘Weg met dat levensmoede toontje!’ Er wordt veel gelachen. Maar de scènes, nauwkeurig uitgedacht en in banen geleid door een regisseur, zijn nog wat te lang. Geen nood: deze bijeenkomst met LivingTale is de eerste van een hele reeks in Skarsterlân en er kan nog van alles worden veranderd.

Aan de wieg van het moderne bedrijfstheater stond de Braziliaan Augusto Boal. Boal vocht, in de jaren zestig, tegen de armoede in zijn land. Zijn theater had tot doel de onderdrukten te bevrijden. Het publiek werd uitgenodigd de hoofdpersonen te vervangen om zo tot revolutionaire inzichten te komen. Nederlandse gezelschappen als Proloog en Het Werkteater borduurden in de jaren zeventig en tachtig op zo’n tot verandering aanzettend theater voort. ‘Doelgroepentheater’ heette het toen en vrouwen maakten theater voor vrouwen, homo’s voor homo’s, gehandicapten voor gehandicapten.

Het Werkteater begreep als een van

de eersten dat theater als middel tot verandering ook uitstekend in bedrijven toe te passen is. Nu maakt Het Werkteater alleen nog theater op bestelling, voor de Rabobank, Lundia en Stork. De nazaten van Augusto Boal schoven op van antikapitalisme naar kapitalisme. Aafke van der Meij verdient als als senior bedrijfsacteur 209 euro per dagdeel. Maar het engagement van de acteurs is hetzelfde gebleven, zegt ze: „Ik sta volledig achter mijn werk. Het is heel zinnig om mensen te leren hoe ze beter met elkaar kunnen omgaan.”

Wat doet ze als ze door een bedrijf wordt ingehuurd om te helpen werknemers te ontslaan? Van der Meij aarzelt niet: „Slecht-nieuws-gesprekken móeten worden gevoerd. Wel met begrip en respect. Als ik er door een training aan kan bijdragen dat zo’n gesprek fatsoenlijk verloopt zeg ik zeker geen nee.” O ja, er ís werk dat ze weigert: „Ik hoef niet zo nodig de mystery guest te spelen of leuk te doen op bedrijfsfeestjes. Het moet wel serieus blijven.”

Het beroep van trainingsacteur is nog niet beschermd. Een erkende opleiding is er ook nog niet. Maar toneelschoolstudenten krijgen nu wel lessen in het nieuwe vak. Ze krijgen te horen dat trainingsacteurs onderdeel uitmaken van een ‘didactisch proces’. Dat ze ‘leveranciers van gedrag’ zijn. Dat niet zij de hoofdrol hebben maar de deelnemers zijn.

Sinds 1999 is er een branchevereniging die de kwaliteit van trainingsacteurs bewaakt. Bij BOACT (Branche Organisatie ACTeursbureaus) zijn elf bureau’s aangesloten. Zij vragen gemiddeld 2.200 euro voor één activiteit; een uur regietheater bijvoorbeeld, met scriptontwikkeling, voorgesprekken en minimaal twee acteurs. Professionaliteit, dat is volgens fulltime-trainingsacteur Robert Stegeman: „Geloofwaardig spelen. De cursisten in de situatie trekken, opdat zij zo echt mogelijk op je reageren.”

Sommige acteursbureaus werken met nauwkeurig uitgewerkte scripts, andere op basis van improvisatie. Buro Impro doet allebei. „Wij improviseren vaak de liedjes”, vertelt Ingrid Schröder. Ze is mede-directeur van Buro Impro en speelt zelf vaak mee. Bij een themadag over geluk op het werk vroegen we de deelnemers: Kun je momenten aanwijzen waarna je happy bent? Iemand zei: ‘We gaven een burger een kerstpakket, dat maakte ons gelukkig.’ Dat bezing je dan. Het publiek mag zelf de stijl aangeven. Rock of blues ofzo.”

Schröder peinst hardop: „Het moeilijke van dit werk is dat je je emoties moet aanspreken terwijl je je er niet in mag verliezen. Je moet afstand bewaren. terwijl je speelt hang je als een helikopter boven de scène, om overzicht te houden.”

De acteurs stuiten

weleens op weerstand. „Als er grote bedrijfsorganisaties zijn bijvoorbeeld”, zegt André Besseling. Hij is oprichter van theatergroep Piranha, die vanuit pure improvisatie werkt. „Je moet dan eerst een sfeer zetten. Wij noemen dat primen: een woord uit de verloskunde dat het klaarmaken voor de bevalling betekent.” Besseling vergelijkt de acteur in bedrijven met een nar. „De nar is de enige die aan de keizer mag zeggen dat hij naakt is. De nar is de enige die de directie mag zeggen dat ze er een potje van maakt. We proberen naar boven te halen wat er in een bedrijf speelt. Een optreden van ons is geslaagd als er veel wordt gelachen en men toch met een draaiende maag weggaat.”

Besseling noemt een geval: „We maakten een keer een voorstelling over ziekteverzuim in een verpleeghuis. Toen wij hoorden dat de leiding niet goed met het personeel omging speelden wij een medewerkster die op sterven lag omdat er door de slechte sfeer niet voor haar werd gezorgd. Ze werd nog net werd gered door een berouwvolle manager. De leiding in de zaal protesteerde niet. Ze zag wel in dat je moeilijke kwesties beter kunt laten zien dan verbloemen. We zijn soms ook krítisch tegen het personeel. Dan zeggen we: Als jullie blijven zeiken trekken jullie het bedrijf niet uit het slop.”

Ingrid Schröder: „Het mooiste van dit vak is dat je mensen kunt openbreken. Ik zie zoveel mensen die op hun werk een karikatuur van zichzelf zijn geworden. Je vraagt hen naar hun kwaliteiten en ze komen niet verder dan: Ik ben secuur en netjes. Als ik hen al spelend kan laten ontdekken: Ik ben best creatief, of: hee, ik kan enthousiasmeren!, Dan is mijn dag weer goed.”

Geraadpleegde literatuur: 1) Paul Devilee en Hans Fischer: Omgaan met trainingsacteurs – Methodiek en werkvormen. Uitg. Reed Business Information. 2) André Besseling: Theater vanuit het niets – alles over improvisatietheater. Uitg. IT &FB.