Liever geen odes, dienstregelingen!

Tsead Bruinja: Bang voor de bal. Cossee, 79 blz., € 16,90

In 1968 kreeg Hans Vlek zowel de Reina Prinsen Geerligsprijs als de Jan Campertprijs voor zijn derde dichtbundel Een warm hemd voor de winter. Kenmerkend voor deze bundel was dat Vlek de werkelijkheid van de straat tot poëzie maakte. Het motto vóór in de uitgave liet er geen twijfel over bestaan dat de dichter de lier van het oude vakwerk in de wilgen hing. ‘Lies keine Oden, mein Sohn, lies die Fahrpläne: / sie sind genauer,’ citeerde hij ‘Ins Lesebuch für die Oberstufe’ van Hans Magnus Enzensberger.

Ik was verrast deze anderhalve regel uit een Duitse bundel van 1957 bijna vijftig jaar later terug te vinden bij Tsead Bruinja. ‘Dienst’ heet het gedicht waarin hij naar Enzensberger verwijst. Het eerste couplet ervan luidt:

ik laat mij graag de wet voorschrijven door een ander

zo draagt enzensberger me op lees geen odes mijn zoon

lees de dienstregelingen die zijn secuurder

dus begeef ik me naar het dichtstbijzijnde bushok

tien over half kwart voor en een op het hele uur

onder het bord wacht een reiziger op ontbinding

zijn mond praat niet langer met zijn ontruimde hoofd

wat daar nog woont heeft vertegenwoordi- ging nodig

Van voorschrift naar bushok naar Alzheimer. Bruinja hanteert in Bang voor de bal een meanderende stijl. Zijn eigen invallen en gedachten staan niet buiten spel, maar steeds opnieuw bepaalt de werkelijkheid van alledag de richting van het gedicht. Bruinja weet daarbij wat hij doet, dus stuurt hij bij waar hij kan en benoemt hij. Afwegend soms, zoals in de regels ‘er liggen betekenissen op de loer/ die dit gedicht kunnen bederven’. Soms ook kalm concluderend, zoals in ‘vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder/ over opa’s en oma’s met een rustiek en pijnlijk verleden // nu luister ik naar mijn buurman’.

Beide citaten komen uit ‘Specialist op het gebied van kozijnen’. Dit gedicht is typerend voor wat Bruinja in de 44 verzen van zijn derde bundel nastreeft. Er is zeker verwantschap met Hans Vlek anno 1968; ook in Bang voor de bal is de werkelijkheid van de straat het onderwerp van poëzie. Maar er is ook een duidelijk verschil. Sampling was voor Vlek nog een onbekend begrip. Tsead Bruinja daarentegen lijkt zich te hebben ingeprent dat het materiaal voor gedichten per definitie ongelijksoortig is. Dat hij tot tweemaal toe een citaat van F. van Dixhoorn als motto kiest, is veelzeggend. F. van Dixhoorn is immers bij uitstek een dichter van het ongelijksoortige.

Bruinja’s poëzie is caleidoscopisch, maar niettemin lyrisch. Het is even wennen, al die inhoudelijke dwarspaden en kruisingen. Bruinja is ook minder introvert dan in Dat het zo hoorde (2003) en Batterij (2004), maar de regelval is nog even uitgekiend en ook nu weer klinkt er muziek in de taal. Een mooi voorbeeld daarvan is ‘Jurk / Waarom wil ik met je praten?’ Drie pagina’s lang bezingt dit gedicht in 32 korte, opsommende coupletten de evolutie van mens en wapentuig. ‘Niet iedereen droeg dezelfde huiden,’ stelt de zes na laatste strofe. ‘Daarom knuppel in het hok,’ vervolgt Bruinja dan, ‘knuppel naast de klok / pistool onder het kussen / beter gereedschap / huizen afbreken / hier begint een lied.’

Ook in Bang voor de bal zijn er weer gedichten over liefde. De vrouw van de dichter is dan meestal onderwerp, en net als in Vromans gedichten voor Tineke zindert er in Bruinja’s amoureuze passages een gloedvolle warmte tussen de regels. Heel nadrukkelijk, want erotisch, is dat het geval in de eerste coupletten van ‘Het geld het fruit en de familie’; zachtmoediger gloeit het slot van ‘Specialist op het gebied van kozijnen’:

maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot

en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat

we bespreken hoe het moet met de werkkamer

hoe en waar we dan zelf moeten gaan slapen

een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten

we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant

stiekem terwijl we al lang over iets anders praten

kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt

het ademt en het beweegt

het is er bijna

Zo lyrisch en genegen kan Bruinja zijn, maar bij tijden ook is zijn pen vlijmscherp. Op het aforistische af soms, zoals in ‘Vier Henry’s’, dat de Nobelprijswinnaar Kissinger over de hekel haalt. ‘Vier henry’s liggen strak in het pak met hun buik / op een stoel door de lucht te zwemmen,’ opent het. Daarna ontvouwt zich een discussie met prangende regels als ‘ik neem liever een fout besluit / dan dat ik op de wijsheid wacht’ en ‘het universum is een onmenselijk decor / waarin men onmogelijk slachtoffer kan zijn’. Alle toonaarden zijn in Bang voor de bal vertegenwoordigd. Soms bitter, soms humoristisch. Maar steeds met een rake lijn naar wat werkelijkheid heet.