Klifhanger 31 Tjallings verhaal

Wat vooraf ging: Tjalling heeft Katja omlaag gedragen, vanaf een hoog gebouw. Ze zijn nog steeds op zoek naar Sebastiaan. Maar Tjalling moet nog vertellen waar hij, enkele afleveringen lang, heeft uitgehangen.

We waren veilig beland op de grond, voor het gebouw. We zaten puffend naast elkaar. Katja had me al eerder, bij stukjes en beetjes verteld dat ze in een soort theater terecht was gekomen. En dat ze de wereld door mijn bril had bekeken.

„Nou, kom op”, zei Katja. „Jij bent als een halve gare door de spiegel gesprongen. En toen?”

„Ik zag daar mijn ouders”, zei ik. „Ze waren nogal treurig. Ik dacht echt dat die spiegel een doorgang was. Een doorgang naar huis.”

„Dus je wilde naar huis? Liever dan... nou ja... bij mij blijven?”

Katja keek weg. Ik kon haar gezicht niet zien.

„Mijn heit en mem waren ongerust”, zei ik zacht.

„Mijn heit en mem zitten nu, geloof ik, in Zimbabwe”, zei Katja.

„Wil je nog weten wat er verder gebeurde?”

„Vertel maar.”

„Goed. Die spiegel was toch echt een spiegel. Dus hij spatte kapot. Daarachter was een ruimte. Ik had mijn bril verloren tijdens die sprong. Dus ik zag eerst geen bal. Ik kwam terecht in het gras. Ik tastte om me heen. Nergens mijn bril. Dat was heel eng. Ik kon dus alleen maar dingen zien die dichtbij gebeurden. Ik zag insecten kruipen. Grote torren en harige spinnen. En in de verte klonken trommels.”

„Trommels?”

„Ja. Ik dacht, ik moet opstaan. Als er mensen of dieren op trommels lopen te slaan, dan kunnen ze vast ook zeggen waar ik hier ben.”

„O ja. Jij moet altijd weten waar je bent.”

„Natuurlijk! Ik ging staan, ik had pijn aan mijn been, dus ik hinkstapte naar die trommels. De struiken en boomstammen vlak in mijn buurt zag ik best. Niks aan de hand. Nou ja, ik ben één keer tegen een boom gelopen. Maar dat was omdat ik even in gedachten was.”

„Waar dacht je aan?”

„Aan mijn h... Aan jou natuurlijk.”

„Echt waar?”

„Echt wel! Ik zei nog ‘sorry’ tegen die boom, zo diep liep ik aan jou te denken.”

„O Tjalling, het spijt me dat ik soms zo...”

„Wat? Wat spijt je?”

„Niks! Ga nou maar verder, eikel.”

„Ja. Het oerwoud werd minder dicht. Ik kwam op zand terecht. Een open plek. En de trommels werden harder. En toen hielden ze plotseling op.”

„Ze zagen jou zeker.”

„Nee! Er was een soort stellage. Iets hoogs van stammen en planken. In de oudheid gebruikten ze van die torens om steden aan te vallen.”

„Goh, wat interessant! Ga je nou verder?”

„Het werd hartstikke stil. Ik kon nu, dacht ik, toch een paar figuren onderscheiden. Maar misschien waren het ook totempalen of zoiets. En ik voelde een soort gebons.”

„Weer die trommels?”

„De grond bonsde. Alsof een enorm dier kwam aanlopen in de verte.”

„O?”

„Dat geluid kwam snel dichterbij. En de bosjes scheurden uit elkaar. En ik.... ik werd niet bang hoor! Heus niet. Maar ik kroop wel omlaag.”

„En toen?”

„Vlak boven me bewoog iets. En druppels kwamen naar beneden. Stinkende druppels.”

„Jezus!”

„Nee, die was het niet. Het was een dinosaurus. En zijn kwijlende kop hing boven me.”

Wordt vervolgd