Ingehaald door de woede

Het politieke geweld is verdwenen uit Zuid-Afrika, maar je leven ben je er nog steeds niet zeker. Schrijvers onderzoeken de nieuwe dilemma’s.

Ingrid Winterbach: Niggie. Vertaald door Riet de Jong-Goossens. Cossee, 285 blz. €19,90

Etienne van Heerden: In de plaats van liefde. Vertaald door Robert Dorsman. De Bezige Bij, 509 blz. €29,90

Athol Fugard: Tsotsi. Vertaald door Tineke Funhoff. Atlas, 224 blz. €18,50

Troy Blacklaws: Bloedappel. Vertaald door Ankie Blommesteijn. Ambo, 220 blz. €19,95

Kgebetli Moele: Room 207. Kwela, 235 blz. ca. €15,–

Wie ‘zeurt over geweld, kan Zuid-Afrika beter verlaten. Onveiligheid hoort nu eenmaal bij het land’, verklaarde minister van veiligheid Charles Nqakula afgelopen zomer. Hij zei domweg niet geïnteresseerd te zijn in klachten over geweld. Met zijn uitspraken maakte hij het geweld onpersoonlijk als een natuurverschijnsel. Maar een sterke basis voor veiligheidspolitiek is deze onverschilligheid niet en hij heeft zijn woorden haastig ingeslikt. President Thabo Mbeki sprak vorige maand tijdens zijn State of the Union andere taal: de situatie op straat is onacceptabel – door de massaliteit en de willekeur van de misdaad. Over politiek geweld wordt intussen in de verleden tijd gesproken, met nauw verholen opluchting.

Zuid-Afrika staat wat dat betreft op een tweesprong. Er lag een zorgvuldig plan voor landhervormingen op basis van vrijwilligheid maar vrijwel geen blanke boer wenste daarvan gebruik te maken en nu de druk toeneemt, worden de prijzen opgedreven. Het spookbeeld van de mislukte ‘hervormingen’ in Zimbabwe dreigt op de achtergrond. Dat de regenboognatie als enige oud-kolonie geweldloos met het verleden zou kunnen omspringen, blijkt bovendien wishful thinking. Persoonlijke afrekeningen zijn niet talrijk, maar het geweld komt wel degelijk voort uit de erfenis van de apartheid en het koloniale verleden, zij het dat de daders en de slachtoffers zonder gezicht blijven. Het verschil is bovendien betrekkelijk: hoe geruststellend is het om te weten dat een beroving in elk geval niet persoonlijk was bedoeld? Dergelijke vragen krijgen een steeds prominentere plaats in de hedendaagse Zuid-Afrikaanse literatuur. Schrijvers worstelen met het geweld , dat misschien geen natuurverschijnsel ís, maar dat zijn slachtoffers even willekeurig lijkt te kiezen als een storm of aardbeving.

In haar historische roman Niggie zoekt Ingrid Winterbach de antwoorden in het verleden. Het verhaal, dat zich afspeelt tijdens de Anglo-Boerenoorlog, vertelt over een bioloog en een geoloog die de oorlog doorkomen door wetenschappelijk ‘veldwerk’ te verrichten. De beroepen zijn uiteraard bedoeld als ‘onschuldige’ kennis: voor een bioloog en een geoloog is er geen verschil tussen zwart en blank, zeker niet in het licht van de ontstaansgeschiedenis van leven op aarde. Zonder angsten zijn ze echter niet: uit de verhalen die ze aanhoren of zelf vertellen, blijkt de absurditeit van de oorlog en het nietsontziende geweld.

En daar lijkt het Winterbach ook in haar verhaal om te doen. Maar de notie van de onschuld van het landschap en de natuur tegenover de schuldige mens, die in staat is tot loyaliteit maar ook tot gruwelijkheden is niet verheffend. De vrouw in het algemeen die redding biedt aan de verdorven mensheid is zelfs potsierlijk.

Etienne van Heerden slaagt er in zijn nieuwe roman wél in het gezichtsloze karakter van het geweld treffend te beschrijven. In de prachtige openingsscène van In de plaats van liefde vindt een achtervolging plaats tussen de kunsthandelaar Christian en een bendelid uit de Cape Flats. Wanneer Christian in zijn gehuurde BMW een spookrijder ziet aankomen, geeft hij groot licht ter waarschuwing. Maar de spookrijder schrikt niet. Hij keert weliswaar zijn auto maar rijdt vervolgens achter Christian aan, kleeft aan de bumper, ‘gaat iets voor de BMW rijden, maar voegt niet in, zoals bij een inhaalmanoeuvre. Hij blijft met grote snelheid op de verkeerde weghelft rijden. Op de achterruit staat in sierlijke letters uitdagend: Don’t fuck with me. […] Ineens verschijnt de revolver: zwart, licht dat erop glanst. De voorruit van de BMW spat uiteen en vlokken glas slaan Christian in het gezicht.’ Wonderlijk genoeg overleeft Christian de aanslag. ‘Hoeveel opgekropte woede en frustratie, generaties lang opgebouwd, zit er niet in zo’n schijnsel?’ schrijft Van Heerden dan.

Om die opgekropte woede en frustratie draait het in deze roman. Niet alleen bij dit gang-lid, maar ook bij Christian en zijn vrouw die op hun manier worstelen met het verleden, of bij kleurlingenkunstenaars die kampen met een hypocriete aandacht van de westerse wereld voor het zogenaamde inheemse na jaren van culturele boycot. Veel geslaagder dan in het al weer ruim 15 jaar oude Casspirs en campari’s – Van Heerdens vorige roman met een eigentijdse stadsthematiek – krijgt een maatschappijvisie een plek in de roman. Overtuigend is bijvoorbeeld de verklaring die een vriend geeft aan Christian voor de schietpartij: na de uitleg van de initiatierite zegt hij: ‘kijk het gaat niet om jou’. Later concludeert Christian zelf: ‘ik moet boeten voor alles wat de bruine bevolking van de Kaapse Vlakte is aangedaan.’

Door de mislukte aanslag zal Christian op zijn hoede moeten blijven, de jongen moet immers slagen in zijn opdracht (het executeren van een automobilist die groot licht heeft gevoerd). Dit uitgangspunt van een persoonlijke vlucht om aan iets onpersoonlijks te ontsnappen – een eigen verhaal dat symbool staat voor de hele maatschappij – is een geslaagd gedeelte. Minder geslaagd zijn Christians excuses voor het drugsgebruik, de uitstapjes naar Europese steden waarbij je de indruk krijgt dat de auteur iets té enthousiast is over wat hij gezien heeft tijdens zijn eigen tripjes, alsook de delen die zich op het platteland afspelen. Daar zijn Van Heerdens zwaar symbolische trucs te prominent aanwezig: een wonderkind op de viool, een helderziende uit Rusland, bloedende handen op de schouders van een viooljuf en breedsprakigheid als: ‘De eerste teugen vochtige Kaapse zomerlucht geuren naar een vrouwenoksel op een warme zomeravond’. Onduidelijk blijft of dit nu smakelijk of juist onsmakelijk is bedoeld. Maar in de stadsroman die In de plaats van liefde ook is, gaan actualiteit, visie en literaire verbeelding samen.

Dat het mogelijk is om het verleden naar het heden te trekken, bewees ook de met een Oscar bekroonde film Tsotsi, gebaseerd op een roman van de acteur Athol Fugard uit de jaren zeventig. Het verhaalt over de gebeurtenissen rondom een zwarte jongen uit een township die iedere avond met bendeleden erop uittrekt om mensen te beroven. Op een avond steekt een van hen de beroofde man neer en ontstaat er een scheuring binnen de groep. Wanneer de tsotsi (straattaal voor crimineel) de eerste vrouw die hij tegenkomt aanrandt, krijgt hij een baby in handen geduwd. Zijn leven verandert volledig. De stoere jongen gaat zich druk maken om babymelk en vervreemdt van zijn omgeving. Bij Fugard is deze ontwikkeling duidelijk verbonden met een metafysische boodschap: de tsotsi redt de baby en sterft met een vredige glimlach op het gezicht. Boete en verzoening op de grens van leven en dood: dit clichébeeld maakt het boek achterhaald, en het slot vervelend. Maar het geeft wel goed aan hoe geweld indertijd in het teken van de blank-zwart verhoudingen stond. Wat Fugard met deze roman wil laten zien, is de uitzichtloze situatie in de townships tegenover de rijke blanke woonwijken.

De film is effectief geactualiseerd. Van apartheid als motivering is geen sprake meer: de scheiding is nu puur gebaseerd op rijkdom. Zowel overvaller als slachtoffer zijn in de film zwart. De willekeur is sterker aangezet en ook van een zoektocht naar innerlijke rust is geen sprake meer. Wat overblijft is alleen het geweld en de onmogelijkheid een uitweg te vinden. In tegenstelling tot de roman wordt het geweld in de film niet verheerlijkt, geromantiseerd of tot apartheid ‘gereduceerd’. Dat Fugard dat wel heeft gedaan, is hem niet aan te rekenen, het is immers een roman uit 1979. Het geeft wel aan hoe snel geëngageerde literatuur aan herschrijving toe is en hoe snel ze van betekenis verandert.

Dat geldt ook voor Bloedappel van Troy Blacklaws, zij het dat deze roman niet dertig jaar oud is. Hierin wordt het verhaal verteld van Gekko die in Durban opgroeit, maar later met zijn ouders naar de Kaap verhuist. Hoewel de vroege jeugd mooi is beschreven, is de kennismaking met de apartheid weinig subtiel. Helemaal overdreven wordt het wanneer Gekko een puber is, seksuele ervaringen opdoet en ziet hoe mooi zwart en hoe lelijk blank is. Het boek is zonder verheffende inzichten. De geweldacties bij Blacklaws staan in het teken van de apartheid: de schofterige blanke politie tegenover de tolerante zwarte township-bewoners. En dat terwijl in de recente Zuid-Afrikaanse literatuur veel creatiever met het thema wordt omgesprongen. Uiteenlopende schrijvers als K. Sello Duiker (1974-2005) met zijn magistrale Het stille geweld van dromen en de romans van Ivan Vladislavic toonden dat al. De realiteit wordt in deze boeken dusdanig verbeeld dat ze niet meer zo tijdgebonden is als bij Fugard of Blacklaws.

Het debuut van Kgebetli Moele past enigszins in de traditie van Duiker en Vladislavic. Het is minder briljant dan dat van Duiker, minder academisch ironisch dan dat van Vladislavic, maar de inzet is vergelijkbaar. Met zijn Room 207 schetst hij een soort minimaatschappij in een atelier in Johannesburg waar verschillende jongens samenwonen. Moele voert te veel personages op waardoor de draad van het verhaal soms zoekraakt, maar Room 207 is desondanks een mooie stadgeschiedenis. Vanuit de ik-figuur krijg je gebeurtenissen opgedist die volgens de verteller typerend zijn voor de stad, en vooroordelen te lezen die je als buitenstaander niet gauw voor je rekening zal durven te nemen. Een van de bewoners is bijvoorbeeld een Zulu, en die wordt als volgt omschreven: ‘Alle Zulu-mannen zijn gewelddadig, praten altijd te hard en commanderen. Er is nog nooit iemand beroofd door een Venda-sprekende. Elke overval wordt gepleegd door een Zulu, of laat me zeggen, uitgevoerd in Zulu.’ Deze semi-nuancering geeft de sfeer van het boek weer: geestig, maar echt grip krijg je er niet op. En daar is Moele ongetwijfeld op uit: het onpersoonlijke geweld combineren met het uitzichtloze. Anders dan bij Fugard, is die uitzichtloosheid niet politiek gerelateerd, anders dan bij Blacklaws heeft het geweld geen politieke rechtvaardiging.

De keer dat de verteller zelf wordt overvallen (uiteraard door een Zulu) wordt teruggebracht tot een les aan de lezer hoe je ermee moet omgaan: verzet je niet, maar overhandig alles zo snel mogelijk. ‘Hoe mannelijk je ook bent, ze verwachten dat je zult vechten, en zij moeten de huur betalen. Ga niet dood om hun huur te betalen, want zelfs al ben je ergerlijk, we hebben je adem nog steeds ergens nodig – ergens in dit regenboogland.’

De roman van Moele zit compositorisch niet zo behendig in elkaar als die van Van Heerden en is bij vlagen erg afstandelijk. Maar de vraag hoe je moet omgaan met de veranderde betekenis van het geweld, beantwoordt hij wel het duidelijkst: er is geen strijd, er zijn geen idealen, het geweld komt juist voort uit het gebrek daaraan. Of zoals de hoofdpersoon het zelf zegt: ‘Ik heb een hekel aan alle politici, dus haatte ik Mandela de politicus, maar ik hield van Mandela de vrijheidstrijder en ik mis die Mandela.’ Zuid-Afrika als een democratie op basis van loyaliteit aan de idealen van Mandela. Een land waar geweld niet meer wordt gekleurd door politiek of ideologie, tenzij indirect, opgevat als de verbeelding van de blijvende invloed die het verleden nog heeft in Zuid-Afrika.