Hij is een barbaar, hoogheid!

Prins Frederik van Pruisen wilde graag tot de Europese Herenclub behoren. Voltaire was dol op koninklijke vleierij. En zo ontstond een soms ontroerende briefwisseling.

Voltaire: Briefwisseling met Frederik de Grote 1736-1778. Vertaald door J.M. Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 1021 blz. € 45,–

David Bodanis: Emilie & Voltaire. Een liefdesgeschiedenis in de Verlichting. Ambo, 382 blz. € 24,95

Het initiatief komt van Berlijn. Op 8 augustus 1736 richt de 24-jarige Frederik, kroonprins van Pruisen, zich per brief tot de 18 jaar oudere Voltaire, die dan met Emilie du Châtelet – la belle Emilie – op Château de Cirey in Lotharingen woont. ‘Hoewel ik niet het genoegen smaak u persoonlijk te kennen’, schrijft de prins even formeel als sierlijk, ‘bent u niettemin door uw werk geen vreemde voor mij. Uw teksten getuigen, als ik mij zo mag uitdrukken, van een wonderbaarlijke scherpzinnigheid.’

Dat is nog maar het schoorvoetende begin van een brief vol loftuiting, eindigend met de fraaie alinea: ‘Ach! Waarom bedient de roem zich niet van mij om uw successen te bekronen! Mijn enige angst zou zijn dat dit land, waar de laurier niet gedijt, niet zo veel lauwerkransen zou kunnen opbrengen als uw werk verdient, en dat wij bij gebrek daaraan onze toevlucht zouden moeten nemen tot een tuiltje selderij’.

Voltaire, nooit vies geweest van vleierij, reageert onmiddellijk. Dit is tenslotte niet zo maar een bewonderaar, dit is een bewonderende prins. En nog wel een intelligente, belezen prins. Alle strijkages die hij in voorraad heeft vloeien uit zijn pen als hij op 1 september 1736 terugschrijft, en de aanstaande koning prijst om zijn heilzame wijsgerigheid. ‘Ik zal het als een kostbaar geluk beschouwen’, verzekert hij in zijn antwoord, ‘om bij Uwe Koninklijke Hoogheid mijn opwachting te kunnen maken. De mensen gaan naar Rome om kerken, schilderijen, ruïnes en bas-reliëfs te zien. Een prins zoals u is een reis veel meer waard, dat is een veel grotere bezienswaardigheid’.

De toon is gezet. Een correspondentie die zich tot aan Voltaires dood in 1778 zal uitstrekken en waarin de wederzijdse hoffelijkheden, ook in periodes van onderlinge verkoeling, nooit ontbreken, is van wal gestoken. Er zullen bijna 800 brieven gewisseld worden, waarvan er ruim 600 bewaard zijn gebleven. Door mevrouw J.M. Vermeer-Pardoen, die eerder al een heel precieze vertaling publiceerde van Voltaires Filosofisch woordenboek, zijn ze toegankelijk gemaakt in een even zorgvuldig als melodieus Nederlands.

Op de volumineuze uitgave – meer dan duizend bladzijden dik – valt dus niks aan te merken, behalve misschien op het ongezellige groen van kaft en stofomslag, en zeker op het ontbreken van een index. Een boek waarin alle grote en kleine denkers en dichters uit de eeuw van de Verlichting (en ook nog alle grote en kleine intriganten uit de cultuur van de Liaisons dangereuses) met naam en toenaam voorbij komen, had zonder register eigenlijk niet in het licht mogen worden gezonden.

Kwistig

Het hoge woord is er intussen uit, en de vraag kan worden gesteld of de briefwisseling een bijdrage levert tot onze kennis van de Verlichting. Daar lijkt op het eerste gezicht geen twijfel aan. Niet alleen vanwege al die kwistig rondgestrooide namen, maar vooral ook vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee ze van Potsdam tot Versailles bekend worden verondersteld en ook bekend blijken te zijn.

Wat we de Verlichting noemen doet zich van buitenaf voor als een cercle van Europese (later in de eeuw ook Amerikaanse) geleerden, kunstenaars en filosofen die elkaar moeiteloos weten te vinden. Hun lingua franca is het Frans (‘Frankrijk beschouwde zichzelf als het internationaal hoofdkwartier van de beweging’, schrijft Peter Gay niet zonder ironie in The Enlightenment), en voorzover het Latijn als omgangstaal heeft afgedaan, is de ‘beeldentaal’ nog altijd grotendeels afgeleid van de antieke mythologieën. Belezenheid is het entreebewijs voor de elite. Een half woord van Horatius of Vergilius, een citaat uit Samuël of Ezechiël en een vingerwijzing in de richting van de kerkgeschiedenis volstaat binnen de kring als een door iedereen onmiddellijk begrepen signaal.

Moet je spreken van een nieuwe Republiek der Letteren? Van een iets kosmopolitischer Muiderkring? Van een Europese Herenclub met Peter Schat in de rol van de verstoten Rousseau? Het kenmerk van zulke geleerde congregaties is natuurlijk dat alle disciplines er van kunst tot wetenschap in vertegenwoordigd zijn – en in dat opzicht vormen de Verlichters een perfecte zielsgemeenschap.

De ‘deelnemers’ houden tegenover elkaar de illusie overeind dat ze op alle terreinen thuis zijn. Terwijl Emilie en Voltaire zich met Newton bezighouden (en in hun park aandoenlijke proeven doen om te kijken of het klopt), beoefent Leibniz de metafysica met even veel ijver als de politiek, schrijft iedereen poëzie, doet iedereen aan wijsbegeerte, leest iedereen alles, en speelt Frederik fluit.

Hoe verlicht is precies de kroonprins van Pruisen? ‘Als er geen God zou zijn’, schrijft hij midden in de wittebroodsweken van hun epistolaire verbintenis aan Voltaire, ‘was uw systeem het enige dat ik zou omarmen, maar aangezien het vaststaat dat die God bestaat, kan men niet genoeg aan Hem toeschrijven’. Nou is het geloof in God nog niet per se de lakmoesproef voor het ware verlichte denken, maar het citaat verklaart waarom de leerling in de ogen van de Franse meester (bijna God!) nog lang niet kan doorgaan voor echte ‘philosophe’.

Leraarsbrieven

Veel brieven van Voltaire in die periode laten zich lezen als leraarsbrieven. Als Frederik met al te veel morele verontwaardiging tsaar Peter de Grote een laffe barbaar noemt, wijst Voltaire hem onmiddellijk terecht. ‘Maar wel een barbaar, hoogheid’, schrijft hij terug, ‘die mensen heeft gevormd, een barbaar die zijn rijk heeft verlaten om te leren regeren, een barbaar die steden heeft gesticht, en die de zeevaart heeft geleerd aan een volk dat daar geen notie van had…’

En Peter laf? ‘Ik houd wel van een lafaard die veldslagen wint’.

Aan het geraffineerde cynisme van Voltaire zal de kroonprins nooit toekomen, zomin als Voltaire in 1740, als Frederiks vader is overleden, de snelheid kan bijhouden waarmee de nieuwe koning van Pruisen van ‘weldoener onder de vorsten’ ineens verandert in een martiale Realpolitiker die om het bezit van Silezië oorlog uitlokt met de Duitse keizer en ten strijde trekt. Niet dat de briefvriendschap er meteen onder lijdt. Ook op het slagveld blijft Frederik filosoferen, en het lijkt wel alsof zijn brieven juist op het slagveld ‘poëtischer’ worden – hele boodschappen en ontboezemingen verschijnen voortaan op rijm.

Voltaire rijmt terug. Hij laat zich een koninklijke vriend niet ontnemen om een oorlog die ergens ver weg in de buurt van Polen wordt uitgevochten tegen nota bene een katholieke keizer – hij is tenslotte de consequentste antipapist van zijn tijd. En natuurlijk is de vriendschap ook nooit helemaal belangeloos geweest. Voltaires ego is gestreeld door de bewondering van een staatshoofd, en het staatshoofd droomt z’n leven lang van een hof waaraan de allergrootsten van de Europese beschaving verbonden zijn; zoals zijn vader er een elite-regiment van reuzen op na heeft gehouden.

Close-up

Het loont de moeite de briefwisseling zo nu en dan even opzij te leggen om in een boek als de biografie van Roger Pearson, Voltaire Almighty. A Life in Pursuit of Freedom (besproken in Boeken, 27.1.06), of in het afzonderlijk door David Bodanis opgetekende verhaal van de liefde tussen Voltaire en Emilie du Châtelet, enige afstand te zoeken: van de close-up naar het totaalbeeld.

Het boek van Bodanis is met z’n uitweidingen over de stand van zaken in de toenmalige wis- en natuurkunde wat aan de warrige kant, maar schetst een scherp, aanvullend portret van de ijdeltuit, de opportunist, de intrigant en de sjoemelaar die Voltaire ook was. Waar Pearson in zijn vrolijke biografie een beetje de draak steekt met de wijze waarop Emilie en Voltaire als pseudo-wetenschappers aan Newton werkten (‘Hoe Adam en Eva smulden van de boom der kennis’, heet z’n desbetreffende hoofdstuk), heeft Bodanis bovendien alle aandacht voor de ‘weerbarstige’ idylle tussen de even intelligente als vrijgevochten Emilie en haar oudere minnaar die, hoe geëmancipeerd ook, er nooit echt voor geporteerd was om het uit te houden bij een vrouw die hem intellectueel evenaarde.

Als Emilie in 1749 sterft (in het kraambed, na een kortstondige overspelige relatie) schrijft hij aan Frederik: ‘Ik heb iemand verloren die al vijfentwintig jaar mijn vriend was, een groot man wiens enige gebrek daarin bestond dat hij een vrouw was.’

De briefwisseling met de Pruisische koning heeft eigenlijk nooit gestagneerd, ondanks kleine en grotere onderlinge stekeligheden, ondanks de paar min of meer mislukte uitstapjes naar Sans Souci, waarvan de laatste zelfs eindigt in een hardhandige ruzie. Alle onenigheden doen tenslotte niets meer af aan de allengs gegroeide wezenlijke wederzijdse genegenheid tussen ‘de oude patriarch van Ferney’ (Voltaire eindigt zijn jaren in een stadje aan de Franse kant van Genève) en ‘de Salomo van het Noorden’.

De poëzie, de wijsbegeerte, de Verlichting, de honger naar steeds universeler kennis en de vragen naar wat en wie God is, verdwijnen langzaam maar zeker uit de correspondentie. De twee schrijven niet meer over l‘Infâme als ze de paus bedoelen, of over Mustafa als het om de Turkse sultan gaat. Ook de wereldpolitiek gaat tenslotte schuil achter de vriendschap van de twee oude mannen: Frederik 66, Voltaire 84. Als je het voorgeschreven hoofse geflikflooi er uit wegleest, worden de brieven, en wordt dus het dikke boek, op den duur eigenlijk steeds ontroerender