Europa’s succesvolle, coöperatieve imperialisme

Europese samenwerking was het vreedzame antwoord op de Tweede Wereldoorlog en op de Koude Oorlog. Nu stellen immigratie, globalisering en klimaatverandering andere eisen aan de Europese Unie.

Wie in Washington of New York in grote boekwinkels rondkijkt, klaagde onlangs de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Frank-Walter Steinmeier, ziet daar allerlei opgetogen boeken over Europa liggen, zoals Jeremy Rifkins The European Dream. Waarom is de vraag naar zulke boeken buiten Europa zo groot, mopperde hij, terwijl we in Europa altijd maar somberen over de Unie?

Deze week onderstreepten de Amerikaanse weekbladen Time en Newsweek de observatie van Steinmeier. Ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van het Verdrag van Rome pakten beide bladen uit met lovende artikelen, waarin de EU als ‘quiet superpower’ (Newsweek) en ‘quiet miracle’ en zelfs ‘stunning miracle’ (Time) werd afgezet tegen supermacht Amerika. Als het gaat om oorlog voeren kan niemand op tegen de VS, was de strekking, maar in Irak is Washington tegen zijn eigen beperkingen aangelopen. Het stichten en bewaren van vrede gaat Europa met haar zachtere aanpak heel wat beter af.

Waar dan vooral op wordt gedoeld is de gestage uitbreiding van de Europese Unie. Dit was het meest effectieve instrument van buitenlandse politiek van de afgelopen halve eeuw, is wel gezegd: andere landen op het continent alleen al uitzicht bieden op aansluiting bij de Unie maakte een wereld van verschil.

In nóg zoveel internationale kwesties mag Europees buitenlands beleid zijn stukgelopen op onderlinge verdeeldheid, maar op dit punt werden alle verwachtingen overtroffen: met haar expansie heeft de EU in een steeds groeiend deel van Europa welvaart, stabiliteit en veiligheid gebracht waar nog maar kort geleden armoede en onderdrukking heersten. En dat op een continent waar generatie na generatie oorlog was gevoerd.

Het is wel de doctrine van het ‘coöperatief imperialisme’ genoemd. Niet door militair ingrijpen en verovering groeide de Unie, maar door landen vrijwillig te laten toetreden tot haar unieke samenwerkingsverband. En nog altijd hervormen landen daarvoor hun economieën, versterken ze hun democratische instellingen en leveren ze er een deel van hun soevereiniteit voor in.

Maar hoe bewonderend de buitenwereld dit proces ook gadeslaat, binnen Europa groeit de twijfel of en hoelang het nog is vol te houden. Het steeds maar opschuiven van de grenzen van de Unie mag de afgelopen decennia goed hebben gewerkt, maar is het daarmee ook het beste recept voor de toekomst?

Want waar houdt die uitbreiding – na de val van de Muur in 1989 in een stroomversnelling geraakt – dan ooit op? Na toetreding van de Balkanlanden? Van Turkije? Of maken Oekraïne, Moldavië, Georgië en Wit-Rusland ook nog kans? En ligt dáár dan de buitengrens?

En wat betekent het definitief trekken van die grens voor de verhouding van de Unie met de landen die er buiten vallen, bijvoorbeeld grote buur en energieleverancier Rusland?

Vijf jaar geleden – dus nog voor de toetreding van tien nieuwe lidstaten in 2004, en nog twee landen begin dit jaar – verzuchtte het Franse dagblad Le Monde al op zijn voorpagina: Wie durft er nog ‘nee’ te zeggen tegen de uitbreiding van Europa? Het proces was een dramatische vlucht naar voren geworden, schreef de krant, waarover de politici eigenlijk geen controle meer hebben.

Inmiddels heeft Parijs bepaald dat de Franse kiezers toetreding van nieuwe lidstaten na Kroatië moeten goedkeuren per referendum. En ook in sommige andere hoofdsteden is het besef doorgedrongen dat de vraag naar de grenzen van Europa niet meer afgedaan kan worden met de stelling dat ‘Europa een proces is’, en dat de voortdurende uitbreiding nu eenmaal noodzakelijk is omdat deze Europa gaande houdt. Die stelling mag waar zijn, ze wordt politiek steeds moeilijker te verkopen.

Niet alleen de samenstelling van de Europese Unie en de mate van bemoeienis met de lidstaten zijn in de loop der jaren ingrijpend veranderd. Ook de politieke omstandigheden waarin de Unie opereert zijn grondig gewijzigd.

Weg is de dreiging van de Koude Oorlog, die de West-Europese landen – onder Amerikaanse aandrang én bescherming – bijeendreef. Weg is bij de meeste burgers ook de persoonlijke herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, waarop de Europese samenwerking het vreedzame antwoord moest zijn.

Daar zijn andere dreigingen en angsten voor in de plaats gekomen. En daarmee worden aan de Unie ook andere eisen gesteld – door haar burgers, maar ook door buurlanden en de rest van de wereld. Het verder vrijmaken van de gemeenschappelijke markt blijft centraal staan, maar de Unie moet zich nu ook bezighouden met internationale kwesties: van immigratie, globalisering, klimaatverandering en terrorisme tot het nucleaire programma van Iran en het beveiligen van verkiezingen in Congo.

In die ambitieuzere rol blijkt hoe moeilijk het is om met de nu 27 lidstaten samen één beleid uit te stippelen – en dat vervolgens ook nog uit te voeren. Soms lukt dat niet, en blijven er, net als bij sommige interne kwesties, onderlinge meningsverschillen bestaan.

Overzichtelijk is het niet, maar de Unie blijkt ermee te kunnen leven. Landen die wél, en landen die niet meedoen met de euro. Of met gezamenlijke vredesmissies. Of met grensoverschrijdende juridische samenwerking. Het is wat in Brussels jargon de variabele geometrie van Europa heet.

Zo blijkt het lidmaatschap van de EU mogelijk te zijn in verschillende soorten en maten. En daarmee begint het ooit glasheldere verschil tussen landen die wel en landen die geen lid zijn te vervagen. De uiteindelijke grenzen van de Europese Unie? Die kunnen zo per onderwerp verschillen.