Elke regio zijn eigen Sandberg

Frank Eerhart e.a.: Onmetelijkoptimisme. Kunstenaars en hun bemiddelaars in de jaren 1945-1970.Waanders Uitgevers, 288 blz. € 29,95

Het verhaal is genoegzaam bekend: in 1949 bood directeur Willem Sandberg van het Stedelijk Museum in Amsterdam ruimte aan de kunstenaarsgroep Cobra. Sandberg koos daarmee partij voor een nieuw soort kunst, die lang niet door iedereen als kunst werd beschouwd. Dankzij hem kregen Karel Appel en consorten voet aan de grond in museumland.

In een boek over kunstenaars en hun bemiddelaars in de jaren 1945-1970 mag dit succesverhaal niet ontbreken. Onmetelijk optimisme opent er dan ook mee. Maar in de hoofdstukken die volgen wordt het pas echt interessant. Die beschrijven hoe in de jaren vijftig en zestig ook buíten Amsterdam moderne kunst werd gemaakt en gepropageerd. Elders in de Randstad, maar ook in bijvoorbeeld Groningen, Nijmegen en Eindhoven. Ieder hoofdstuk is geschreven door iemand die ter plaatse goed bekend is, maar niet al die correspondenten schrijven even soepel.

De bundel stikt van de taal- en typefouten. Zinnen ontsporen, interpunctie ontbreekt, namen zijn verkeerd gespeld. Het had dus beter geredigeerd moeten worden, maar verder is Onmetelijk optimisme een sympathiek boek. Er is veel recente kunstgeschiedenis vastgelegd, die bovendien gezellig geïllustreerd is met oude knipsels en foto’s. En met reproducties, die de lezer eraan herinneren om wat voor kunst het ook al weer ging. Want in de tekst gaat het toch vooral over mensen – enkelingen of groepen.

Het is opvallend hoeveel kunstenaars in de jaren vijftig en zestig gezamenlijk naar buiten traden. Verve, Fugare, Atol, Nada, de Nulgroep: er waren veel meer kunstenaarsgroepen dan tegenwoordig. Bijna allemaal gaven ze bij hun oprichting manifesten vol grote woorden uit. Je bent opgelucht dat de jaren zestig voorbij zijn als je de Bekendmaking van de Nederlandse Informele Groep leest, die eindigt met: ‘ONS INTERESSEERT ALLEEN HET ZWARTE EINDE! Leve de Permanente Revolutie!’. Of het pamflet van het ‘artistiek anarchistisch collectief’ SAS (Schijt aan Schilderkunst) uit Eindhoven: ‘Wij hebben geen programma’s / Naar het weten wordt gestreefd: maar het / niet weten dient voorwaarde te zijn: / Het is zaak niet te leven tot de dood. / Maar zich dóód te LEVEN.’ Enzovoorts. Soms kunnen kunstenaars zich toch maar beter in beelden uitdrukken.

Behalve haar eigen Cobra had iedere regio ook haar eigen Sandberg. In Dordrecht bestierde Cor de Nobel de spraakmakende Galerie .31. Galeriehouder Felix Valk organiseerde zo ongeveer alle belangrijke tentoonstellingen en kunstmanifestaties in Arnhem. En in Groningen waren museumdirecteur Jos de Gruyter en galeriehouder Albert Waalkens de stuwende krachten. In het boek en op de bijgevoegde DVD komen veel kunstenaars en bemiddelaars zelf aan het woord. Want dat is het voordeel bij het in kaart brengen van recente kunstgeschiedenis: er kunnen nog overlevenden worden geraadpleegd. Het overlijden, kort na de interviews, van kunstenaar Gerard Verdijk en promotor Frits Becht onderstreept hoe belangrijk het is dat verhalen uit de eerste hand tijdig worden opgetekend.

In veel van die verhalen speelt het toeval een grote rol. ‘Ik koos helemaal niet’, zegt Leo Verboon over de selectiecriteria van Galerie Orez in Den Haag. ‘Er was totaal geen plan. Het kwam op mijn pad en ik zei er ja of nee tegen.’ Frits Becht beweert over het verzamelen van kunst: ‘Je kijkt gewoon bij je om de hoek en dat breidt zich dan uit en misschien weet je na tien jaar een beetje welke kant je op wilt.’ Fenna de Vries begon haar galerie in een winkelpand dat ze eigenlijk om de woonruimte erachter huurde: met de voorkant ‘moest iets winkelachtigs gebeuren’. De eerste kunstenaar die er exposeerde was de overbuurman, Jan Schoonhoven. Vooral uit de interviewfragmenten blijkt dat de na-oorlogse kunstwereld, behalve van onmetelijk optimisme, ook van geluk en willekeur aan elkaar hing. Schilder Klaas Gubbels vat de strekking van het boek mooi samen als hij zegt: ‘Je moet het geluk hebben dat iemand je werk ziet zitten.’