Een heer in zijn eentje

Vijfentwintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Tip uit Twente: hier is een boom met een interessante inscriptie. En jawel, een beetje achteraf op landgoed Twickel: een beuk met François Haverschmidt, voluit mét cedille. Onder deze naam een jaartal (1879), achter dat jaartal twee letters (CT).

Wie dit leest staat precies op de plek waar ooit degene stond die dit schreef. Wat nu op ooghoogte is, was toen ook op ooghoogte. Want bomen groeien alleen van boven in de lengte, van onderen alleen in de dikte. Zo’n inscriptie dus ook. Die is nu 152 cm breed, maar zal oorspronkelijk niet meer dan 90 cm hebben gemeten. De letters worden steeds verder uitgerekt, je ziet ze als in een lachspiegel.

Iedereen die in mijn tijd voortgezet onderwijs heeft gehad, kent Haverschmidt als Piet Paaltjens, de dichter. Een enkeling begint zelfs spontaan te reciteren: ‘In het diepst van het woud/ ’t Was herfst en erg koud/ Liep een heer in zijn eentje te dwalen...’ In dit gedicht, De zelfmoordenaar, breekt het voorjaar aan met een vrijend paartje dat wordt getroffen door de laars die van een verteerd been glijdt. Het heertje hangt. Aan een eik.

In 1879 was Haverschmidt 44. Hij stond, door de demon der melancholie gekweld, als dominee in Schiedam. Je kunt je afvragen of deze man werkelijk een dagdeel zou besteden aan het kerven van zijn naam in een beuk, dus of we hier niet met een eindeloos uitgerekte Tukkerse grap van doen hebben.

De leeftijd van de boom is in orde. In het Twickelbulletin heeft in 1979 een stuk gestaan over dezelfde inscriptie. De omtrek van de boom was toen 300 cm (nu 340 cm), de doorsnede toen 95 cm (nu 108 cm). Van 95 naar 109 cm in een kleine dertig jaar, dat zijn jaarringen van 0,25 cm. Stel dat de boom vanaf het begin in dit tempo is gegroeid, dan zou hij 220 jaar oud zijn. Dan was hij in 1879 oud en dik genoeg voor zo’n lange naam.

Uit het gastenboek van logement (nu hotel) Carelshaven in Delden blijkt bovendien dat Haverschmidt minstens drie keer in deze buurt heeft verbleven: gedurende zes weken in de zomer van 1871 en gedurende enkele dagen in de zomers van 1879 en 1886.

Nu zijn er Haverschmidt-adepten die zeggen, misschien omdat dit tegenwoordig als een daad van vandalisme geldt, dat hun man onmogelijk in een boom kan hebben staan kerven. De logementhouder zou het zelf hebben gedaan, om de streek een attractie te bezorgen. Haverschmidt was immers een bekende Nederlander avant la lettre.

Maar dan vraag je je af hoe je dat 1879 CT moet plaatsen. Van Dale geeft voor c.t. cum tempore, letterlijk: met tijd. En daar kun je bij een dichterlijk gemoed wel iets bij voorstellen, maar deze afkorting wordt nu nog uitsluitend op convocaties gebruikt, en wel om aan te geven dat een bijeenkomst een kwartier na het vermelde tijdstip begint. Wat kan zij dan voor een Haverschmidt hebben betekend? Latinisten, literatuurwetenschappers, Haverschmidtkenners – ik heb het hele rijtje geraadpleegd. Geen antwoord.

Nu staat er op Twickel nóg een beuk met een, zij het veel minder pontificale, Haverschmidt-inscriptie. Die zou dus van 1871 of 1886 moeten zijn. Die gaat gepaard met de letters JK, ongetwijfeld vanwege Jeannette Klein. Zij fungeert in de literatuurgeschiedenis als huisvriendin van de Haverschmidts.

In de Haverschmidt-biografie van Rob Nieuwenhuys (De dominee en zijn worgengel) komt geen CT voor. En Jeannette Klein was er al vóór 1879. Toch hou ik CT maar voor de initialen van een vrouwspersoon. En ik kan me niemand anders dan Haverschmidt indenken die deze letters – JK en CT – bij zijn naam zou hebben gekerfd. Híj moet het zijn geweest.

Altijd in een beuk, want beuken hebben die gladde schors. Iemand neemt zijn zakmes om iets van zichzelf (zijn bestaan, zijn liefde, zijn hunkering) aan een boom te verbinden. Het had in ieder geval meer cachet dan het werk met een spuitbus in een stinkende fietstunnel.

Haverschmidt verhing zichzelf op 19 januari 1894 met het gordijnkoord van zijn bedstee.

Met hulp van Jan Haverkate, Bert Meinen, Gert-Jan Roelofs, Marita Mathijsen en Gerben Wynia.