Denken kan link zijn

Sebastien Valkenberg: Het laboratorium in je hoofd. Ambo, 247 blz., € 16,95

Is het voor veel mensen al onduidelijk wat filosofen eigenlijk zijn, nog veel schimmiger is wat zij doen. ‘Hoe filosofen te werk gaan’ is – blijkens de ondertitel – de vraag die de jonge denker Sebastien Valkenberg probeert te beantwoorden in zijn boek Het laboratorium in je hoofd. In veertien vlot geschreven essays – die door de opgenomen illustraties extra aantrekkelijk ogen – laat hij niet alleen zien hoe wijsgeren in de loop van 2.500 jaar gedacht hebben. Terloops geeft hij ook een inleiding in even zo vele thema’s uit de filosofie zelf: de menselijke vrijheid, het belang van de werkelijkheid, het bestaan van God, de rol van het ‘ik’.

Anders dan gewone wetenschappers doen filosofen geen onderzoek naar de dingen zoals zij zijn, aldus Valkenberg. Filosofen vragen zich af hoe ze zouden kunnen zijn. Ze nemen een verschijnsel en beginnen dat in gedachten te variëren. Stel dat een mens wordt aangesloten op een machine die hem alle ervaringen zou toedienen die hij zou wensen. Zouden we dat nog een menselijk leven noemen? Stel dat het universum door een kwaadaardige schepper op zo’n manier was geschapen dat iedere kennis daarover onbetrouwbaar zou zijn. Zouden we daarin dan nog wel kunnen bestaan?

Door middel van dergelijke gedachtenexperimenten ontdekken filosofen hoe de wereld waarin wij leven in elkaar zit, aldus Valkenberg. Ze maken niet duidelijk hoe een mens functioneert (dat doen de menswetenschappen en de biologie), maar wel wat het betekent een mens te zijn. Gedachtenexperimenten zijn dus geen vrijblijvende exercities. Ze vormen het belangrijkste instrument van de filosofie, die op die laatste vraag een antwoord probeert te geven.

Helemaal onschuldig zijn dergelijke experimenten niet, zo moet ook Valkenberg toegeven. Zoals er uit een biolab wel eens een virusje ontsnapt, zo zijn uit het denklaboratorium meermalen politieke fantasieën naar buiten geglipt, waar ze tot catastrofes hebben geleid. Wat er in de geest aantrekkelijk en logisch uitziet, werkt in de realiteit lang niet altijd goed. Het ‘wilde denken’ van de filosofie en het praktische leven moeten zorgvuldig gescheiden blijven. Veel heeft Valkenberg dan ook niet op met de politieke rechtlijnigheid van de Franse of communistische revoluties, die meenden de rede in de werkelijkheid te kunnen doorvoeren. Liever zoekt hij zijn heil bij Karl Poppers aanbeveling politieke veranderingen altijd stapsgewijs (en dus steeds corrigeerbaar) door te voeren.

Daarmee maakt hij zich er iets te gemakkelijk van af. Filosofie is tenslotte niet uitsluitend een zaak van het laboratorium. Of ze wil of niet, ze maakt zelf deel uit van de realiteit en speelt daarin een belangrijke rol. De onverschrokken wijze waarop Valkenberg haar graag de radicaalste denkbeelden ziet doorzoeken, is in werkelijkheid wel degelijk een gevaar dat zich niet met enkele vermanende woorden laat bezweren. Wie meent dat explosieve denkbeelden (zoals Nietzsche die ontwikkelde) onder controle kunnen worden gehouden door een bordje ‘verboden toegang’ bij de deur van het denklaboratorium, heeft iets te lang in dat laatste vertoefd.

Op zo’n manier verliest het denken bovendien zijn relevantie. Wat er in het laboratorium gebeurt heeft wel degelijk consequenties voor de realiteit daarbuiten. Popper mag (terecht) aandringen op kleine stappen in de politiek, de vraag waarheen die stappen moeten leiden kan alleen maar worden beantwoord door theoretische overwegingen over ‘de goede samenleving’. Alleen ‘negatieve doelen’, waarin een samenleving vaststelt hoe ze er beslist niet uit wil zien, zijn dan niet genoeg.

Ook Valkenberg onderkent dat, wanneer hij later in zijn boek een scherpe kritiek levert op het utilisme dat alleen maar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen nastreeft. Ook dít ogenschijnlijk zo praktische uitgangspunt kan leiden tot morele verschrikkingen, waartegen alleen absolute leefregels en taboes in het geweer kunnen worden gebracht. Daarmee is het gevaar van een doldraaiend denken nog niet bezworen. Duidelijk wordt wél dat het er in de filosofie pas echt om gaat spannen wanneer zij niet alleen een laboratoriumkweek blijkt te zijn.