De weglopers hebben ongelijk

‘The Last Work’ heet de video-installatie die Ryan Gander voor het Stedelijk Museum heeft gemaakt. De gelauwerde Britse kunstenaar heeft er even genoeg van.

Hij is net dertig, en de wereld ligt aan zijn voeten. Hij won belangrijke kunstprijzen als de Prix de Rome en de Baloise Art Statement Prize. Hij deed alleen al in het afgelopen jaar mee aan vijftig tentoonstellingen over de hele wereld. Hij opende drie maanden geleden zijn eigen galerie in Londen. Van zijn succes kunnen veel beeldend kunstenaars alleen maar dromen. En toch heeft Ryan Gander (Chester, 1976) er even genoeg van.

„Ik ben gewoon moe”, zegt hij. „Moe van het overal en nergens zijn.” Gander zit in zijn rolstoel in het kantoor van het Stedelijk Museum en staart naar de meeuwen die boven het IJ scheren. Hij is zojuist, met twee uur vertraging, geland op Schiphol. „Gisteren was ik even thuis in Londen om een tante die stervende is op te zoeken in het ziekenhuis. De dag daarvoor zat ik in Wenen voor de opening van mijn tentoonstelling in het MUMOK. Tussendoor heb ik mijn nieuwe video voor het Stedelijk afgemonteerd. En hierna ga ik naar Frankfurt.”

The Last Work heet de video-installatie die Gander speciaal voor het Stedelijk maakte – en die titel dient serieus genomen te worden. De Engelse kunstenaar wil voorlopig even geen werk meer maken. Na het huidige offensief van exposities (vorige week opende ook al een solotentoonstelling bij de galerie van Annet Gelink, een presentatie die Gander zelf nog niet eens gezien heeft) zal hij zich een jaar lang terugtrekken om zich op zijn artistieke koers te bezinnen. „Mijn galeriehouder heeft me geadviseerd om het een sabbatical te noemen, anders klinkt het net alsof ik heel erg lui ben”, zegt hij grijnzend.

Het besluit om het rustiger aan te doen is niet alleen goed voor zijn eigen gezondheid, maar dient ook een artistiek doel. Het is een statement. „The Last Work gaat over mijn gebrek aan vertrouwen in de kunstwereld”, zegt Gander. „Er zijn op dit moment zoveel verschrikkelijk slechte kunstenaars die tentoonstellingen krijgen, daar word ik gewoon depressief van. Het lijkt wel of zestig procent van de mensen die werkzaam zijn in de kunstwereld geen flauw benul heeft waar ze naar kijken. Er is veel te veel kunst die er weliswaar leuk uitziet, maar die nergens over gaat. Dat soort kunst draagt niet echt bij aan de kunstgeschiedenis.”

Hij kan zich dood ergeren aan al die jonge kunstenaars die, zoals hijzelf, enorm gehypet worden en vervolgens naast hun schoenen gaan lopen. Gander: „Heel jonge kunstenaars zijn vaak goed omdat ze nog compleet naïef zijn. En met oude kunstenaars is ook niks mis. Maar het zijn de kunstenaars van mijn leeftijd die ik vaak niet kan uitstaan. De dertig-en-nog-wat-kunstenaar die een beetje succes krijgt en dan lui wordt. En die alleen nog maar in staat is een slap aftreksel te maken van het werk waarmee hij succesvol werd, om dat vervolgens eindeloos te blijven herhalen. Dat zijn personen die alleen maar geïnteresseerd zijn in het kunstenaar zijn, en niet in het maken van kunst.”

Wie je sowieso niet moet vertrouwen

, aldus Gander, zijn kunstenaars met een eigen website. „Van hen weet je meteen: die zullen het nooit gaan maken. Die zijn veel te desperaat. Website-kunstenaars zijn meer geïnteresseerd in het promoten van zichzelf dan in het maken van kunst. Moet je je voorstellen hoeveel tijd dat kost, zo’n website maken. Al die tijd had je ook in je atelier kunnen zitten om kunst te maken. Neem van mij aan: website-kunstenaars zijn wannabe’s.”

In The Last Work, een installatie die zich afspeelt in een lege, blauw geschilderde museumzaal, hoor je de stem van een meisje dat zich fluisterend afvraagt wat het kunstenaarschap betekent. Je wordt deelgenoot gemaakt van haar gedachten en observaties. Je luistert mee naar haar overpeinzingen en artistieke beslissingen. Pas in tweede instantie ontdek je de video die, in een hoekje van de ruimte, op de muur geprojecteerd wordt. De videobeelden tonen de weg van Ganders atelier naar zijn woonhuis. Het is een symbolische route: de kunstenaar laat zijn praktijk letterlijk en figuurlijk achter zich.

„The Last Work gaat over de vraag wat het voor een kunstenaar betekent om te stoppen”, zegt Gander. „Mensen verwachten van je dat je altijd maar vol ideeën zit en dat je aan de lopende band werk kan produceren. Het is heel moeilijk om als kunstenaar aan al die verwachtingen te voldoen. Het feit dat je productief bent, wil nog niet zeggen dat je ook goed werk maakt. Ik ben het zat om steeds weer nieuwe werken te maken voor nieuwe shows. Ik zou wel eens een tijdje in een bibliotheek willen zitten.”

Vanaf nu, zegt Gander stellig, wil hij zelf bepalen wat hij gaat doen, en waar, en wanneer. „Tot nu toe was het de kunstwereld die mij dicteerde. Als kunstenaar heb je tijd nodig om te reflecteren op wat je doet en waarom. Ik moet mezelf hervinden, zodat ik weer de belangrijkste persoon ben in het evenwicht, en niet het museum of de toeschouwer of de galerie. Ik las net een interview met David Lynch in The Guardian. Ze vroegen hem of hij verbitterd was vanwege het feit dat hij met zijn nieuwe film Inland Empire geen Oscar had weten te winnen. Toen zei hij: ‘Doe niet zo raar. Het is een film van drie uur die niemand begrijpt.’ En toch kiest hij ervoor om zoiets te maken. Het kan hem niet schelen dat zijn films niet massaal gedistribueerd worden. Hij kiest zijn eigen weg. Want als hij zich zou laten dicteren door Hollywood, zou hij films moeten maken van 1 uur en 35 minuten, met een leuke soundtrack erbij.”

Dat hij de naam van David Lynch noemt is veelzeggend. Het werk van Ryan Gander doet wat betreft raadselachtigheid niet onder voor dat van de Amerikaanse filmmaker. Gander maakt objecten, installaties, fotowerken en video’s die zich maar moeizaam laten doorgronden. Zijn bijdrage aan de tentoonstelling van de Prix de Rome in 2003 bestond uit niet veel meer dan een paar houten blokjes – een reproductie van een Bauhaus-schaakspel uit 1924 – en een leeg vel papier aan de muur. In datzelfde jaar verbouwde hij het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam tot een afgesloten kantoor, met een raampje, en een stapel post geadresseerd aan het fictieve personage Abbé Faria. „Bij dat werk vroeg iedereen waar de kunst was”, vertelt Gander. „Ik heb toen veel Amerikaanse toeristen weggejaagd.”

Toch, wie de tijd neemt om Ganders werk te leren kennen, wordt wel degelijk beloond. In de Whitechapel Art Gallery in Londen bouwde hij enkele maanden geleden een fabelachtig werk met de titel Is this guilt in you too – (Cinema Verso).

Je kwam er binnen in een

donkere ruimte, waar in de verte, op een groot scherm, wazige contouren van personen bewogen. Aan de zijkant van het scherm bevond zich een smalle gang met hoogpolig tapijt en een verlicht bordje dat naar de nooduitgang verwees. Het interieur deed denken aan een luxe hotel of een cruiseschip, maar de gang leidde nergens heen. Veel bezoekers liepen schouderophalend weer naar buiten. Maar wie goed luisterde, hoorde achter de wand stemmen fluisteren. En eenmaal met je oor tegen de muur gedrukt ontdekte je ook een klein kijkgaatje. Vanaf dat moment begon het kunstwerk zich pas te openbaren. Aan de andere kant van de wand stonden rijen stoelen en ratelde een filmprojector. Wij, de toeschouwers, bevonden ons achter het filmdoek van een bioscoop. Ons werd een blik vanuit de coulissen gegund – een onvergetelijke ervaring.

„Bij mijn werk is het belangrijk dat je er als toeschouwer tijd en energie in steekt”, legt Gander uit. „Als ik je de clou bij voorbaat zou geven, kun je alleen nog maar ‘oh ja’ zeggen. Daar is geen lol aan. Als jij van een kunstwerk verwacht dat het je onmiddellijk bij de keel grijpt, of met toeters en bellen je aandacht trekt, ben je bij mij niet aan het goede adres. Ik maak geen films ter vermaak. Een criticus van Time Out Magazine schreef dat mijn werk alleen te begrijpen was als er een persoon naast stond die het uitlegde. Dat vond ik nogal bot. Ik wil niemand vervreemden of buitensluiten. Maar het publiek moet wel zijn best doen. De toeschouwer is geen baby die alles met de paplepel ingegoten krijgt.”

Dat er bij zijn tentoonstellingen

mensen zijn die kwaad naar buiten lopen omdat ze er niets van snappen, deert Gander niet. „Dat zijn geen goede toeschouwers. Die verdienen het niet om goed werk te zien.”

Voor zijn tentoonstelling Gallery Cover liet Gander de galerieruimte van Annet Gelink op heuphoogte overspannen met een oranje zeil. Het is een eenvoudige maar ingrijpende installatie, omdat de galerie er ontoegankelijk door is geworden. ’s Avonds is de installatie op zijn mooist. Dan baadt de galerie in een vurige oranje gloed. Maar esthetiek is niet waar het Gander om te doen is. Ook Gallery Cover is een statement: „Met dit werk wil ik laten zien wat een galerie is als er niets in staat: een lege doos. Er wordt te veel belang gehecht aan het idee van de galerie of het museum. Iedereen wil er exposeren, het liefste in de grootste zaal. Alle kunstenaars willen de turbinehal van Tate Modern inrichten. Maar ruimte doet er niet toe, het gaat om ideeën. Een kunstwerk kan ook bestaan in een verhaal dat ik aan jou vertel en dat jij doorvertelt aan iemand anders. Daar komt geen expositieruimte aan te pas.”

Ideeën, inhoud, daarom draait het in het oeuvre van Gander. Zijn werk is subtiel, onopvallend zelfs. Het kan een advertentie zijn in een krant, waarin hij op zoek gaat naar een graffitikunstenaar met de naam AGAIN, omdat diens tags Gander zijn opgevallen in het straatbeeld. Of het kan een plattegrond zijn van een stad als Amsterdam of Rotterdam, waaraan op het eerste gezicht niets vreemd te ontdekken valt. Totdat je oog valt op een straatje dat al sinds de negentiende eeuw niet meer bestaat, en dat door de kunstenaar weer op de kaart is gezet. „Ik houd niet van dingen die eruit zien als kunst”, stelt Gander. „Wat mij betreft bestaat er alleen maar conceptuele kunst. Al het overige is decoratie.”

Dan uit het niets, zegt hij opeens: „Het is raar met beeldende kunst: het ziet er zo makkelijk uit, maar het is zo ontzettend moeilijk om iets te maken dat de moeite waard is.”

Het komende jaar wil hij er in alle rust over nadenken. „Heerlijk lijkt me dat, om achter mijn bureau te kunnen zitten, het raam open te zetten en de frisse lucht binnen te laten.”

Hij graait onder de zitting van zijn rolstoel en haalt er een minuscuul zwart opschrijfboekje vandaan. Het staat vol onleesbare potloodkrabbels. „Het is de bedoeling dat ik heel veel van deze boekjes ga volschrijven”, zegt hij dan. „Misschien dat ik zelfs wel toe ben aan een groter exemplaar.”

Tentoonstellingen Ryan Gander: The Last Work. T/m 22 april in Docking Station, Stedelijk Museum CS, Oosterdokskade 5, Amsterdam. Inl: www.stedelijk.nlGallery Cover. T/m 7 april in Annet Gelink Gallery, Laurierstraat 187-189, Amsterdam. Inl: www.annetgelink.comShort cut through the trees. T/m 10 juni in MUMOK, Museumplatz 1, Wenen. Inl: www.mumok.at