De dictatuur van het handelsmerk

Sieger Sloot: Stand-in. Podium, 328 blz. € 17,50

Succes heeft vele vaders, maar nog meer kinderen. Met enige regelmaat worden er dan ook debuten gepubliceerd die geschreven lijken te zijn door Arnon Grunberg. Stand-in van Sieger Sloot is het recentste voorbeeld. Het is dat we de auteur kennen – als acteur van het RO Theater en Orkater – anders zouden we denken dat Grunbergs alter ego Marek van der Jagt waarlijk is herrezen. Dit keer als een man van dertien ongelukken en twaalf ambachten, waaronder butler, rozenverkoper, handelaar in goedkope vrouwenkleding, stripper in een freakshow en stand-in van succesvolle schrijvers die uit de schijnwerpers willen blijven.

In de laatste hoedanigheid is Andreas Mahlknecht, zoals de hoofdpersoon van Stand-in heet, zelfs behoorlijk succesvol. Darmkramp, faalangst, een afschrikwekkend uiterlijk, zo dood als een pier – geen schrijversprobleem zo groot of Mahlknecht kan hulp bieden. Hij doet signeersessies, houdt lezingen en neemt literaire prijzen in ontvangst; hij is een 21ste-eeuwse variatie op de door Woody Allen gespeelde loser die in The Front (1976) optreedt als vertegenwoordiger van schrijvers die op de zwarte lijst zijn gezet tijdens de communistenjachten van de jaren vijftig.

‘Het draait niet alleen om kwaliteit,’ zegt Mahlknechts impresario. ‘Wat heb je aan kwaliteit als je er als een gebakken peertje uitziet?’ En: ‘De mensen hebben geen oog voor genialiteit, alleen voor oppervlakkigheid. Ze hebben een timmermansoog voor oppervlakkigheid.’ Zo wordt Mahlknechts mars door de instituties van de literaire wereld voor de lezer ook een satire – op de geilheid van de media, op de dictatuur van het handelsmerk (een lichtroze streepjespak, in Mahlknechts geval), op bedreigingen van ‘mannen met baarden’ op de vluchtigheid van hypes, en op de o zo effectieve schrijversspelletjes met fictie en werkelijkheid.

Mahlknechts belevenissen worden steeds absurder. Dat is niet erg, want ze zijn goed opgeschreven, in een laconieke stijl met veel humor. Maar ze gaan wel érg lang door. Stand-in bestaat uit vijf delen, waarvan het eerste (over Mahlknechts baantjes voordat hij zijn literair agent tegenkomt) een novelle op zichzelf is, en het vierde (de autobiografie die hij neerpent om zelf schrijver te worden) tamelijk overbodig is. Zelfs in mateloosheid lijkt Sloot zich te spiegelen aan Marek van der Jagt, die hij ook navolgt in zijn stijl (korte zinnen, veel herhalingen), in zijn Duitse setting (Frankfurt, Bad Brambach), in zijn voorliefde voor (seksuele) perversies, en in zijn schijnbaar onnavolgbare oneliners (‘Ik ben de keizer van de Chinese polyester’).

Een boek als Stand-in werpt een interessante kwestie op: hoe beoordeel je een geslaagde imitatie? Zou je, om K. Schippers te parafraseren, beter lezen als dit Grunberg was? Misschien wel, hoewel daar meteen bij gezegd moet worden dat Sloot nergens de diepte bereikt die Grunberg in zijn recente romans aan de dag legt.

‘Ik was geen meestervermommer, geen dubbelganger, geen lookalike,’ schrijft Mahlknecht; ‘mijn talent was dat ik feilloos mezelf niet kon zijn.’ Hetzelfde geldt ook voor zijn schepper Sieger Sloot, die niet alleen van zijn hoofdpersoon maar ook van zichzelf de perfecte stand-in heeft gemaakt. Misschien zit daarin de dubbele bodem die in de roman Stand-in node gemist wordt.