Altijd verzot op spelletjes

De legendarische rechtendocent A. Pitlo was een provocateur, maar gedroeg hij zich ook anti-joods, zoals een nieuwe studie suggereert?

Joggli Meihuizen: Sans égards. Prof. mr. A. Pitlo en zijn conflicten met Joodse juristen. Boom, 144 blz. € 19,50.

In 1968 opende de Amsterdamse hoogleraar privaatrecht Pitlo zijn tweedejaarscollege met een cynische grap. Onderweg naar de Oudemanhuispoort had hij studenten gezien met een spandoek ‘Mexico Moordstad’. ‘Wat een fantastische stad moet Mexico zijn,’ was zijn commentaar. ‘Anders zouden ze het geen moordstad noemen’. Ik herinner me hoe er een licht gemor door de collegezaal trok. De demonstratie waarnaar Pitlo verwees, was gericht tegen een regime dat zojuist een bloedbad had aangericht.

De badinerende opmerking tekent professor A. Pitlo (1901-1987) als een man die zich niet snel liet imponeren door heersende opinies. Integendeel, morele verontwaardiging kon hem inspireren tot schrille tegengeluiden. Zo zong hij de lof van de Portugese dictator Salazar en liet hij in een interview weten dat Mussolini in Italië ook veel goeds had bereikt.

Werden de dwarse politieke opvattingen van de uitmuntende docent die Pitlo was over het algemeen welwillend aangehoord, zijn controverses met twee joodse juristen, de latere minister van Justitie Carel Polak en de Leidse hoogleraar E.M. Meijers, deden meer stof opwaaien. De aanvaringen die hij met hen had, hebben sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog al meer dan drie generaties juristen beziggehouden. En al zijn de oorspronkelijke antagonisten nu inmiddels meer dan twintig jaar dood, hun opvolgers zetten de strijd nog altijd voort. Zo kon nog in 2003 een heftig conflict ontstaan rond het vrij keurige Nederlands Juristenblad tussen aan de ene kant een inmiddels hoogleraar geworden promovendus van Pitlo en aan de andere kant een zoon en een kleinzoon van zijn voormalige tegenspelers.

Voor de Universiteit van Amsterdam waren de botsingen aanleiding om jurist en historicus Joggli Meihuizen te vragen de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Meihuizen maakte eerder naam met Noodzakelijk kwaad, een onderzoek naar economische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor de universiteit speelde vooral mee dat Pitlo meer dan dertig jaar een centrale figuur was binnen de juridische faculteit. Nadat hij direct na de oorlog tot hoogleraar notariaat en burgerlijk recht was benoemd, was hij van 1957 tot 1965 decaan van de faculteit, een naoorlogs record, en tot in de jaren zeventig gaf hij wekelijks massaal bezochte colleges. In het Juridisch Instituut hangt nu prominent zijn portret aan de muur en tot voor kort was er zelfs een collegezaal naar hem vernoemd. Zoiets is alleen aan de grootsten voorbehouden.

Corps

Sans égards is een boek waarin het leven van Pitlo wordt geschetst, met speciale aandacht voor de zaak waardoor hij vooral de geschiedenis dreigt in te gaan, zijn ‘conflict met de joodse hoogleraren’. Meihuizen beschrijft mooi hoe Pitlo als niet gepromoveerde buitenstaander aanvankelijk maar moeizaam aan de Universiteit van Amsterdam werd geaccepteerd. Hij was nooit lid van het corps geweest, en was zijn loopbaan begonnen in Utrecht, als repetitor voor het notariaatsexamen. Hij zou zich volledig op eigen kracht moeten bewijzen.

Dat ging hem door zijn bijzondere capaciteiten niet slecht af. Temeer omdat hij al snel werd gevraagd om mee te werken aan een gezaghebbende reeks over het Burgerlijk Wetboek. Diezelfde reeks zou echter de aanleiding worden voor de nog altijd voortdurende conflicten. Aanvankelijk zou de jurist Carel Polak de bewerking van de reeks voor zijn rekening nemen. Polak was daarvoor al in 1933 gevraagd, op voorspraak van zijn oom A.S. Oppenheim die de reeks zelf al eens had bewerkt. Polaks bewerkingen kwamen echter moeilijk uit zijn handen. Toen hij in 1939 nog steeds geen tweede deel had ingeleverd, stelde zijn ongeruste uitgever daarom voor om in ieder geval voor het personenrecht de hulp van iemand anders in te roepen: Pitlo. Met tegenzin legde Polak zich hierbij neer.

Dat deed Polak weer toen zijn uitgever in 1941 vond dat er wegens de Duitse bezetting voorlopig geen boeken van joden konden verschijnen. De uitgeverij stelde voor om ook het door Polak bewerkte deel onder de naam van Pitlo uit te brengen. Sindsdien spitst het conflict zich toe op de vraag of Pitlo na de oorlog wel genoeg heeft gedaan om de indruk weg te nemen dat hij zelf de bewerker van dit deel was.

Het is jammer dat Meihuizen juist op het punt van Pitlo’s goede trouw, het punt waar alles om draait, maar weinig feiten geeft. Met zijn opdracht van de Universiteit had hij eindelijk in de archieven kunnen nagaan of Pitlo bij zijn benoeming tot hoogleraar in 1945 baat heeft gehad bij het feit dat het door Polak bewerkte boek nog op zijn naam stond. Heeft Pitlo het toen ten onrechte in een literatuurlijst of op zijn cv opgenomen? We lezen het niet.

Stank voor dank

Pitlo’s visie, zoals die ook in Sans égards naar voren komt, is dat hij in oorlogstijd in goed vertrouwen heeft bewilligd in een constructie die voor hem niet zonder gevaar was, en dat hij na de oorlog stank voor dank heeft gekregen. Indachtig zijn uitgangspunt dat er altijd goede trouw verondersteld moet worden totdat het tegendeel is bewezen, ben ik, anders dan Meihuizen, geneigd hem daarin te volgen.

In plaats van archiefonderzoek te doen naar de manier waarop Pitlo in 1945 met het vermeende valse auteurschap is omgegaan, komt Meihuizen nu met een lange reeks niet altijd even subtiele karakteriseringen van hem, op basis van zijn op 85-jarige leeftijd op de band ingesproken memoires en een aantal niet verder uitgewerkte gesprekken met vrienden, vijanden en collega’s. Deze bevestigen nu vooral het beeld dat sommige tegenstanders van Pitlo graag verspreiden: een groot docent, maar een kleine geest die voornamelijk op zijn eigen voordeel uit was.

Ik vind dit gedeelte van het boek helaas niet erg overtuigend. Pitlo was, zoals veel goede docenten, een acteur en soms ook een provocateur. Empathie met mensen in benarde omstandigheden was daarbij zeker niet zijn allersterkste kant. Te stellen dat Pitlo’s houding mede werd gevoed door antisemitisme, zoals Meihuizen aan het slot suggereert, gaat vooralsnog echter veel te ver. Pitlo kon zich wel eens hard en gevoelloos over joodse collega’s uiten, maar tegenover anderen kon hij zeker zo cynisch zijn. Sans égards laat zien dat Pitlo altijd erg verzot op spelletjes is geweest, maar wie die spelletjes wist de waarderen, kon steeds op zijn warme belangstelling rekenen.