Alles wat ik zeg is citaat

Ik moet het één keer per dag hardop tegen mezelf zeggen: de aarde is rond. Alles mag er dan wel op wijzen dat het zo is, maar het blijft een wonderlijk idee. Nog wonderlijker: die ronde bol draait volgens de geleerden ook nog eens met een behoorlijk hoge snelheid om zijn eigen as, de hele dag door. Je merkt er niets van.

Nog zoiets, dat ik ook één keer per dag tegen mezelf moet zeggen: alles wat ik zeg is citaat. De zin zelf is al weer een citaat. Ik heb het ooit gelezen, in Echo’s echo’s (1988), een boek van Paul Claes, en ook toen kon ik er al weinig tegen inbrengen. De mens begint met napraten als hij leert praten – het is niet anders. ‘In den beginne was het woord. Toen kwam de herhaling.’ Het stemt deemoedig. Zie ons daar zitten, op onze razendsnel rondtollende bol, en het enige wat we doen is elkaar napraten.

En, dat kan er dan ook nog wel bij, het enige wat we lezen zijn vertalingen. De Italiaanse dichter Eugenio Montale zag zichzelf helemaal niet als dichter, maar als vertaler. Hij schreef geen gedichten, hij zag ze voor zich, als in een droom. Om anderen mee te laten lezen, zette hij ze dan maar om, ‘vertaalde’ hij ze dan maar in het Italiaans. En zo zijn alle teksten in wezen vertalingen, of vertalingen van vertalingen. Dat zegt Paul Muldoon in zijn Oxford-lezingen, nu verzameld in The End of the Poem. Ook lezen is een vorm van vertalen. Er is niet één tekst – in het hoofd van iedere afzonderlijke lezer ontstaat een andere afzonderlijke vertaling van een tekst.

Het is een raar idee, maar er valt weinig tegen in te brengen, net als tegen die bolvormige aarde. De vertaalgedachte zal Huub Beurskens aanspreken. Hij publiceerde net een kleine bundel, Scherven flessenglas, waarin hij een serie van vijftien poëzievertalingen bijeenbracht – maar vertaling is niet het goede woord. Het zijn eigen herschrijvingen of variaties of bewerkende vertalingen of vertaalreacties op of van gedichten van allerlei dichters, soms twee tegelijk. Enkele namen: Karel van de Woestijne, Walt Whitman, A. Roland Holst, Paul Celan, Rainer Maria Rilke, maar ook Prince en Vincent van Gogh en Eugenio Montale, aan wie de titel is ontleend.

Een van de gedichten heet ‘Twee schimmen’. Het trof mij omdat daarin zo stellig gepraat wordt over iets waar niemand wat vanaf weet. Het gaat over twee soorten schimmen: de schimmen van de doden en de schimmen van wie nooit geboren zijn. Ze worden beklaagd om hun treurige lot. Zij moeten zich maar laten welgevallen dat er door de levenden voortdurend over hen wordt gepraat en gefantaseerd. En zij moeten het maar doen zonder alle dingen waar de levenden over kunnen beschikken, dus ‘geen / woord, geen lijf, gezicht en haar, / lijden, roem, heldendom, trotse geest’. De nog niet geborene heeft het nooit gehad en de overledene zal het nooit meer krijgen, en zo moeten ze het dan maar zien te redden in hun oneindige duisternis. Zij, de twee soorten schimmen, zijn slaven, ‘slaven van ons bestaan’.

Er is dan eigenlijk maar één conclusie mogelijk: ‘Wat ben ik blij dat ik al werd geboren!’ Het staat er ineens en het is van een overrompelende eenvoud en uitbundigheid. Ik kon het, als ik het vergeleek met het treurige niet-bestaan van een ongeborene en het uitzichtloze non-perspectief van een overledene, eigenlijk alleen maar beamen. Ik wist het tot voor kort niet, en ik zou het zelf nooit zo gezegd hebben, maar nu het er zo stond, kon ik moeilijk anders dan het napraten: ‘Wat ben ik blij dat ik al werd geboren!’ En, dit zo zijnde, zat er voor de toekomst maar één ding op, zoals al geformuleerd in de slotregel van het gedicht: ‘nu nog de dood te overleven zien.’

Het doet er niet veel toe, maar het gedicht is een vertaling van (of een variant of een antwoord op) het gedicht ‘Dve teni’ van Alexander Koesjner, zo vermeldt Beurskens in een aantekening. Koesjner is een Russische dichter, geboren in 1936, in 1994 kort in het Nederlands geïntroduceerd door vertaler Peter Zeeman in zijn bundel Vier Petersburgers. Daarin vond ik niet het gedicht over de twee schimmen, maar wel een gedicht dat er, op de wijze van Muldoon, een vertaling van zou kunnen zijn. Het beschrijft heel verhalend een tocht langs allerlei onaanzienlijks, in een halflandelijk decor. De tocht voert langs ‘zandkorrels, steentjes, halfverteerde reepjes rubber, / een enkel plankje, spaanders en gebroken glas, / een bandenspoor in grijze, hard geworden blubber.’ Mooi rijm: rubber-blubber! Je vraagt je meteen af hoe dat in het Russisch zou klinken.

De opsomming gaat door. Een hoopje aarde, barsten, een kuil, ‘verdorde twijgjes, strootjes, boomwortelvervlechting’ en zo verder. Gaandeweg wordt duidelijk dat de dichter een fietstocht beschrijft, maar gaandeweg wordt ook duidelijk dat het hem niet alleen om dat onooglijke landschap van schillen, karton, een kever, kalk en een slak gaat. Het titelloze gedicht had ‘Twee tochten’ kunnen heten. Tussen de lange opsommingen, alles met komma’s, zonder punten, duikt opeens deze overpeinzing op: ‘toen zij me gister vroeg om bij haar langs te komen, / had ik dat moeten doen’. En dan gaat het weer verder, met ‘wat korstmos en een tak’ en ‘een stukje ijzer’, en dan opnieuw een terloopse verzuchting: ‘waarom toch altijd dat schromen, / daarna heb ik weer spijt’.

Hier is iemand niet alleen door de Petersburgse rommellanen aan het fietsen, om te genieten van ‘een bruine paddestoel, een rups gehuld in bont, een peukje’, maar ook om over zijn eigen aarzelingen en eenzaamheid na te denken. En dan is het geen toeval dat hij daar naast de weg ineens een sandaal ziet, ‘een achteloos door iemand in de berm gesmeten / sandaal’, en dat hij dan, vanzelf, rondkijkt om de tweede te vinden – zonder resultaat. Dat lijkt mij een vertaling, in de betekenis van Paul Muldoon, van zijn eigen gemoedstoestand, en ook een vrije vertaling van de uitzichtloze toestand van de twee schimmen uit zijn andere gedicht: twee zielen die elkaar nooit zullen treffen, twee sandalen die waarschijnlijk nooit meer een paar zullen vormen.