Adopteer een tutu

Het Nationale Ballet kampt met geldzorgen. Van een afstand glitteren de kostuums van de dansers, maar wie goed kijkt ziet dat het lompen zijn. De miljoenenbezuiningen van minister Plasterk zoudende problemen nog groter maken.

Ons probleem is dat niemand ons probleem kan zien, zeggen ze bij Het Nationale Ballet. Wie een kaartje voor een voorstelling koopt, krijgt precies wat hij van een avondje ballet verwacht: pracht en praal. De decors, de muziek, de kostuums, de dansers, alles ademt glitter en goud. En zo hoort het ook. Alleen: niemand ziet welke trucs we hebben moeten toepassen om het zo te krijgen. Niemand ziet welke concessies we elke keer moeten doen. Niemand ziet dat het water ons aan de lippen staat.

„Wij zitten heel krap in ons jasje”, vat zakelijk directeur Willem Wijnbergen de financiële situatie van zijn gezelschap samen. En mochten de plannen van de nieuwe cultuurminister Ronald Plasterk voor de podiumkunsten uitpakken zoals wordt gevreesd, met een miljoenenbezuiniging voor de hele sector, dan zou dat „desastreuze” gevolgen hebben.

Om aanspraak te kunnen maken op overheidssteun moet Het Nationale Ballet een paar kerntaken uitvoeren. Ten eerste moet het, als enige klassieke balletgezelschap van het land, de traditie levend houden en ervoor zorgen dat golden oldies als Het Zwanenmeer en The Sleeping Beauty hier gedanst worden. „Het Rijksmuseum van de dans, dat zijn wij”, zegt eerste solist Cédric Ygnace trots. Maar dan wel een rondtrekkend Rijksmuseum: van de ongeveer honderd voorstellingen per jaar moet de groep er minimaal 25 „in de regio” geven, op andere podia dan het eigen, in het Amsterdamse Muziektheater.

Maar de ambities van de leiding strekken verder. Het Nationale Ballet wil de klassiekers wel dansen, maar niet eeuwig in dezelfde versie. En het wil óók hedendaags werk brengen, huis- en gastchoreografen nieuwe stukken laten maken, en elk seizoen een nieuw, avondvullend ballet presenteren. Een dansgroep moet zich ontwikkelen, luidt een argument, anders wil niemand er meer werken. Nederland heeft wereldwijd een naam hoog te houden als vernieuwend dansland, luidt een ander, met Het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater als de twee belangrijkste pijlers. De overheid lijkt dat niet te willen erkennen, schreven beide dansinstellingen onlangs in een brandbrief aan minister Plasterk.

Het programmaboekje van komend seizoen, met een zachtpaarse cover en vol aantrekkelijke foto’s van dansers in de lucht, verraadt bij nadere inspectie hoe krap bij kas Het Nationale Ballet zit. In februari 2008 gaat er voor het eerst sinds drie jaar een groot nieuw ballet in première, Coppelia. Dat wel. Maar verder staan er hernemingen op het programma: Rudi van Dantzigs veertig jaar oude Romeo en Julia, Sir Peter Wrights versie van The Sleeping Beauty uit 1981. Voor het Holland Festival in juni keren de vaste choreografen Ted Brandsen, Hans van Manen en Krzysztof Pastor gezamenlijk terug naar „de essentie van de dans”, aldus de folder. In feite, zeggen de medewerkers, betreft het hier een noodgreep: de drie vaste krachten maken een ‘no-budget stuk’, zonder geld voor een decor of kostuums.

Toen Ted Brandsen

in 2003 aantrad als artistiek directeur, stond Het Nationale Ballet er niet goed voor. Noch de Raad voor Cultuur noch de Amsterdamse Kunstraad waren te spreken over het artistieke beleid van zijn voorganger, Wayne Eagling. Dat leidde tot kortingen: het rijk trok als strafmaatregel 225.000 euro van zijn totale subsidie van 5 miljoen af, en de stad Amsterdam, ook goed voor 5 miljoen, volgde in 2005 met een korting van 3,5 ton. Een eenmalige subsidie van 150.000 euro uit het extra ‘potje’ van OCW, eind 2004, kon dit structurele verlies niet compenseren. En hoewel de Raad voor Cultuur in 2004 positief oordeelde over het „snelle herstel” en de „hernieuwde energie” van de groep, werd een verzoek om verhoging van de subsidie niet gehonoreerd.

Voor Het Nationale Ballet betekent deze stilstand achteruitgang. En dat terwijl de groep zich verder gunstig ontwikkelde. De zaalbezetting steeg elk jaar een beetje, tot 86 procent in 2006 – voor ballet is dat een mooie score. In datzelfde jaar werd er in totaal 13 miljoen euro binnengehaald, waarvan 3 miljoen zelf werd verdiend: aan de kassa, waar de kaartjes in tien jaar tijd zo’n 42 procent duurder geworden zijn, en dankzij de ,,enkele tientallen bedrijven” (Wijnbergen) die zich voor bedragen van 10.000 euro tot 3 ton als sponsors aan de groep verbinden. In de bedrijvenclub de Ballet League zitten onder meer SNS Reaal en ABN Amro. Daarnaast zijn er 1850 ‘Vrienden’ – privépersonen die voor 50 tot 200 euro per jaar hun betrokkenheid tonen. Ook zij betalen meer dan vroeger.

Niets van dit alles weegt echter op tegen de stijgende kosten. Hoofd Productie en Planning G.J. Smeenk, die nu twaalfeneenhalf jaar bij Het Nationale Ballet werkt, schat dat de arbeidskosten in diezelfde periode zijn verdubbeld. En niet alleen arbeid, álles is duurder geworden. En dus moet er worden beknibbeld en geschrapt. Wijnbergen: „Onze beheerslasten zijn al heel laag, niemand wordt hier rijk. Een aspirant danser verdient bruto 1.896 euro per maand, een solist tussen de 4.000 en 4.200 euro. Dat is niet veel, ook niet vergeleken met het buitenland.

„Ted en ik bekijken elk seizoen het budget, en dan is het letterlijk: waar kunnen we nog wat wegsnijden? Kunnen we die vacature niet nog één seizoen openlaten? Dat stuk niet nog ietsje korter repeteren? Muziek op band gebruiken, in plaats van live?”

Ook bij de decors valt er heel wat te smokkelen. Smeenk: „Je kunt maar een deel van een decor inzetten, en dat compenseren met mooie belichting. Bij de laatste Notenkraker & Muizenkoning waren delen van het plafond van de salon beschadigd, en de zijwanden, en de dennenbomen. Er was geen geld om het op te knappen. Dus dan zeg je: het kan nog wel één keer. Het publiek heeft er niets van gemerkt.”

Bij de kostuums is het verval

inmiddels niet meer verdoezelen. Hoofd van de kostuumafdeling Oliver Haller zou „uren” over al het achterstallige onderhoud kunnen vertellen, zegt hij in het kostuumatelier onder het dak van het Muziektheater. Waar Smeenk nog af en toe kan grinniken om het geklungel, is Haller somber en boos. In zijn vier jaar bij de groep heeft hij zijn budget alsmaar zien krimpen, tot er nog geld was voor anderhalf kostuum per rol. In het ballet is dat anderhalf kostuum te weinig: elke rol heeft meerdere vertolkers, en elk lijf heeft zijn eigen vormen. Maar bij Het Nationale Ballet danst men zonder morren in elkaars kleren. Nou, petje af, zegt Haller. „Wie zondagavond op moet, krijgt het natte kostuum van zijn voorganger uit de middagvoorstelling aan. De pasvorm is verre van ideaal, en alles stinkt een uur in de wind, want het zweet van twee mensen geeft soms een chemische reactie waar geen stoombeurt tegenop kan. Het enige wat dan nog helpt, is wodka. Na een voorstelling spuiten we alle kostuums daarmee in met een plantenspuit.”

Uit de opslag (niet geklimatiseerd en dus te droog, wat vooral voor lycra desastreus is) haalt Hallers assistent intussen de ene na de andere overleden tutu tevoorschijn. Vaal, verschoten, vormeloos, góór. „Kijk nou”, zegt Haller. „Dit zijn Aurora’s, uit The Sleeping Beauty. Volkomen vergane glorie. Als je hier nog één keer een naald insteekt, valt het uit elkaar. En zolang ik hier hoofd ben, scheurt er niemand op het podium uit zijn kleren. Het is al erg genoeg dat mensen elkaar hierin moeten optillen.”

Van de ruim acht ton die de kostuums nu jaarlijks kosten, gaat anderhalve ton op aan spitzen. Volgens Haller is dat het absolute minimum. „Zelfs solisten doen het hier soms met twee of drie paar spitzen per maand, en niemand krijgt er meer dan tien. Weet je hoeveel de dansers van het Royal Ballet in Londen er krijgen? Twintig. Standaard. Ik ga niet minderen. Dan krijgen we hier toestanden als in Zuid-Afrika, waar meisjes zolang op dezelfde spitzen moeten dansen dat hun voeten misvormd raken, en ze soms moeten stoppen met dansen.”

Toen vorig seizoen Georges Balanchines Jewels op het programma stond en er niet genoeg geld bleek te zijn voor de bijbehorende, schitterende kostuums, verzon Haller een actie: ‘Adopteer een tutu’. Abonnementhouders en Vrienden kregen de mogelijkheid om een tutu te sponsoren. Wie honderd euro doneerde, zag zijn naam later in het programmaboekje terug. Wie voor 2500 euro een hele tutu kocht, werd uitgenodigd voor de première en op de foto gezet met de solist die ‘zijn’ kostuum droeg, met de naam van de sponsor op een etiketje aan de binnenkant genaaid. De actie bracht 42.000 euro op. Voor Haller bewees dit succes dat ook het publiek de kostuums belangrijk vindt, dat de kleding voor hen een „wezenlijk onderdeel van een balletvoorstelling vormt”.

Wouter Hos, coördinator van de Vrienden, concludeerde eruit dat Het Nationale Ballet het in deze hoek moet zoeken, wil het de eigen inkomsten nog vergroten: kleine, persoonlijk getinte donaties, die de betaler dichterbij de dansers brengen. Want de dansers vormen de grote trekpleister, dat is overal zo. Bij het Royal Ballet kun je een bepaalde rol in een stuk sponsoren, bij Amerikaanse groepen als het New York City Ballet een danser. Daar ben je dan de persoonlijke maecenas van. Hos: „Wij verkopen sinds kort gebruikte spitzen in de pauzes, gesigneerd door de drager, in een zakje met linten erom. 25 euro. Het loopt storm.”

Bij Het Nationale Ballet moet een culture of asking groeien, zegt Hos, wil er de broodnodige culture of giving ontstaan. „We moeten er nog aan wennen om eerlijk tegen onze achterban te zeggen dat we geld nodig hebben. Maar dat kan best. Ballet is voor de meeste mensen een langzaam groeiende, maar duurzame liefde. Mensen houden ervan om nauw bij ons wel en wee te worden betrokken.” Hos denkt dat het Vriendental nog wel tot 3000 zou kunnen stijgen. Met nog meer donateurs zou het persoonlijke en intieme karakter van de club misschien worden aangetast.

Eén ding kan in elk geval niet, zegt iedereen, en dat is de kaartjes nog duurder maken. Gemiddeld kosten ze nu 30 euro. Dat is de limiet. Met nog hogere prijzen jaag je de mensen weg.

Het publiek dat van oudsher op

ballet afkomt, is hoger opgeleid, welvarend, en vaker vrouw dan man. Op een onlangs voor de Vrienden georganiseerde avond rond choreograaf Merce Cunningham in het Amsterdamse Rozentheater werd dit weer keurig geïllustreerd: beleefde dames van een zekere leeftijd vormden er de meerderheid. Maar in Het Muziektheater ziet het publiek er inmiddels anders uit. Het verjongt, en het verkleurt – mede dankzij het schoolvak CKV en projecten als Zwanenmeer Bijlmermeer, waarin jonge amateurs uit de Bijlmer meedansten. En deze nieuwe balletfans zijn van een totaal ander slag. Ze laten merken dat ze er zijn. Zodra ze zich vervelen worden ze rumoerig en gaan ze giechelen, maar als hun idool uit het gezelschap opkomt vallen ze zwijmelend stil. „Die is zóó sexy...” klinkt het dan alleen nog.

„Een aardige dwarsdoorsnede van de bevolking”, noemt Ted Brandsen zijn huidige publiek dan ook. Wat hem betreft is dit de toekomst. „Ballet is er voor iedereen. Tijdens mijn vorige baan als directeur van het West-Australian Ballet in Perth zat ik elke week wel met een paar ambtenaren om de tafel om ze te overtuigen van het belang van een balletgezelschap voor een stad. De danskunst maakt deel uit van de ziel van een samenleving, zei ik keer op keer tegen hen. Als het moet, dan zeg ik dat hier straks ook.”

Het Nationale Ballet, ‘Points of View’, programma met choreografieën van Merce Cunningham, Hans van Manen Annabelle Lopez Ochoa en Ted Brandsen, t/m 7/4 in Het Muziektheater, Amsterdam. Kaarten via de kassa van Het Muziektheater: 020-6255455 of www.het-ballet.nl.

Rectificatie / Gerectificeerd

Bij het artikel ‘Adopteer een tutu’ (Cultureel Supplement, 19 maart) stonden niet de juiste danscijfers. De dansgezelschappen ontvangen jaarlijks 27 miljoen euro aan rijkssubsidie, één miljoen euro meer dan in de vorige vierjarige Cultuurnota-periode 2001-2004; een stijging van 3,8 procent. Het Nationale Ballet krijgt 7,6 miljoen euro subsidie van het Rijk en de gemeente Amsterdam samen. Vorige periode was dat 1 ton minder, in de periode dáárvoor 1 ton meer. Het vergelijkbare Nederlands Dans Theater krijgt en kreeg meer: 10 miljoen euro, dankzij een royalere subsidie van de gemeente Den Haag.