Zonder die staart en met wat make-up

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen.

„Moet je er fantasie voor hebben?”

Ik geef een open les voor twintig mogelijk nieuwe cursisten. Deze vraag komt van een bleek meisje van een jaar of dertig.

„Fantasie?”, herhaal ik, een beetje verbouwereerd. „Dat weet ik eigenlijk niet.”

„Je moet toch dingen kunnen verzinnen?”

„Jawel”, aarzel ik. „Maar dat gaat eigenlijk vanzelf. Je kijkt goed om je heen, je bedenkt hoe je het aan zou kunnen scherpen om het beter te maken, en dat schrijf je op.”

„Maar als ik om me heen kijk, zie ik niets. Ik ben heel saai.”

We schieten allemaal in de lach.

„Vinden jullie dit geestig?”, vraagt ze onaangedaan. „En waarom dan?”

„Wie kan uitleggen waarom dit grappig is?”, vraag ik aan de klas.

„Niemand zegt dat hij saai is”, roept iemand.

„Het is onverwachts”, knik ik. „Het is ongebruikelijk. Maar als ik dit bekertje door de klas gooi, is het ook onverwacht en ongebruikelijk. Maar niet grappig. Wat is dan het verschil?”

We komen er niet goed uit en het gesprek gaat een andere kant op.

Na afloop van de les blijft het bleke meisje alleen achter.

„Dat waren goeie vragen”, zeg ik tegen haar. „Ik ga er thuis eens heel diep over nadenken.”

Een lichte blos glijdt over haar wangen. Als ze nou eens die bril zou afdoen, die saaie paardenstaart zou afknippen en dan een klein beetje make-up...

„Ik heb nog een vraag: als je een verhaal schrijft, hoe weet je dan wat je wel moet opschrijven en wat niet?”

Voor de derde keer sta ik met de mond vol tanden.

„Mag ik jou eens iets vragen? Wat voor beroep heb jij?”

„Ik ben technisch tekenares.”

„Dan moet je heel precies zijn”, zeg ik. „Jij kunt niet denken: die ene buis maak ik wat groter, en die vervelende stekkers laat ik maar helemaal weg. Maar met schrijven moet dat wel. Je bent steeds een beetje aan het bijsturen. Als ik een verhaal over Marie wil schrijven omdat ze op een dag de wijde wereld intrekt en nooit meer terugkomt, dan zal ik bijvoorbeeld opschrijven dat Marie de hamster naar de buurvrouw brengt, maar ik ga niet de hele levensgeschiedenis van die buurvrouw uit de doeken doen. Want die buurvrouw is voor de rest van het verhaal niet belangrijk. Snap je?”

Ik word enthousiast. „En zo doe je dat met alles! Ook in het dagelijks leven ga je om je heen kijken en je denkt: dát is interessant, en dát kan beter weg! Je staat naast iemand en je denkt: als je nou die bril afzet en die staart er afknipt, en dan een beetje mascara opdoet...”

Dan hoor ik wat ik zeg. Ik klap mijn mond dicht en zwijg.

Ze staat op. Er verschijnt een glimlachje op haar gezicht.

„Ik ga me inschrijven”, zegt ze.