Niemand heeft greep op het geweld in Zuid-Thailand

In de drie zuidelijkste, overwegend islamitische provincies van Thailand wordt sinds 2004 een opstand gevoerd. Door wie precies en met welk doel blijft onduidelijk. Vrijwel dagelijks vallen er doden.

Op het eerste gezicht is het gewoon een multiculturele samenleving die faalde: twee piepkleine dorpjes met een zandpad als denkbeeldige demarcatielijn. Hier 600 moslims, daar 300 boeddhisten. De boeddhisten hebben een hond als huisdier, de moslims geven die een schop als hij het kleine weggetje oversteekt. En het Boeddha-beeld mag niet door het moslimstraatje voor de jaarlijkse optocht naar de rivier. Klein ongemak, nooit ruzie, altijd een onbehaaglijk gevoel.

De 34-jarige hoofdonderwijzer annex polisverkoper Maheson Pohsu woont er met vrouw en achtjarig zoontje al jaren en voelt zich er redelijk veilig, want hij is moslim. Is het verder dan pais en vree tussen de twee gemeenschappen die de afgelopen jaren zijn gescheiden? „Vorig jaar waren er maar twee incidenten: de openbare telefoon werd afgebrand en er lag op een zeker moment een onthoofd lijk op straat. Maar die was niet van hier.”

De gehuchten Khlong Tam en Tapong illustreren de schizofrenie van een situatie die geleidelijk aan is gegroeid. Vriendelijke mensen, angst en gekunstelde achteloosheid, die het dagelijks leven in dit boerendorpje van zijn alledaagsheid beroven.

Ondertussen vallen er in de hele streek doden, veel doden. Alles bij elkaar zijn er in de drie zuidelijke provincies van Thailand de laatste drie jaar al meer dan 2.000 mensen gedood. Het gebeurt elke dag: een onderwijzer die vanaf een bromfiets in koelen bloede wordt afgeknald, een boeddhistische monnik die in stukken wordt gehakt, een autobom die afgaat. Het maakt mensen in de zuidelijkste steden schichtig. De agent die een kop thee bestelt, wordt zo snel mogelijk het restaurant uitgewuifd, want wie naast een agent staat, staat naast een schietschijf.

Ongeveer 1,4 miljoen etnisch-Maleise moslims vormen de meerderheid in de provincies Pattani, Yala en Narathiwat. De rest van Thailand – 66 miljoen inwoners – is bijna geheel boeddhistisch. Ooit waren hier trotse sultanaten, die werden gekoloniseerd door Thailand. Later volgden pogingen tot integratie en assimilatie.

In de jaren zeventig was er een half communistisch geïnspireerde onafhankelijkheidsguerrilla, maar die bloedde dood. Oude rebellen kregen gratie in de jaren negentig en er kwamen beloftes van grotere aandacht. Er kwam extra geld voor infrastructuur en de regio dankt er mooie wegen aan. Maar onder de afgezette premier Thaksin Shinawatra kwam het geweld terug. Hij koos voor de harde hand, liet excuses achterwege toen 78 gearresteerde moslim-demonstranten stikten in volgepakte legertrucks (het zogeheten Tak Bai-incident van 25 oktober 2004) en deed er met speciale wetten en extra troepen nog een schepje bovenop.

Inmiddels is Thaksin de laan uitgestuurd, hebben de nieuwe militaire machthebbers excuses aangeboden en prediken zij de dialoog. Premier Surayud Chulanont bracht gisteren voor de vijfde keer sinds de staatsgreep in september vorig jaar een bezoek aan het zuiden. Daar waarschuwde hij voor het gevaar dat er een open strijd zou uitbreken tussen moslims en boeddhisten en riep hij op tot „begrip en samenwerking”. Tegelijkertijd zei minister van Defensie Boonrod Somtat dat leger en politie beter moeten samenwerken, en er meer strijdkrachten naar het zuiden moeten.

Het geweld neemt ondertussen toe – gruwelijk geweld met als doelwit representanten van de Thaise overheid, boeddhistische kloosters of oorden van bandeloosheid: karaokebars, nachtclubs. Maar steeds vaker zijn de slachtoffers willekeurig, zoals bij de brandstichting van een moskee en de daaropvolgende demonstratie een paar dagen geleden. „Er waren wat misverstanden, er vielen wat lukrake schoten en toen waren twee jongetjes, van twaalf en veertien, dood”, vertelt burgemeester Anwar Dolo van Phabon, terwijl hij aanwijst waar de schoten vandaan zouden hebben kunnen komen. Niemand weet wie het gedaan heeft.

Dat is hier sowieso het probleem. De vijand is onzichtbaar. Zelden wordt iemand gearresteerd, nooit eist een organisatie een aanslag op. Het zijn jongens met een brommer, een helm, een geweer of een bom – ze komen uit de verkeersdrukte en verdwijnen er weer in.

Politicoloog Srisompob Jitpiromsi van de Songhkla-universiteit in Pattani geldt als de expert van het conflict. Zijn analyse is bondig: „Niemand heeft nog greep op het geweld. Leger en politie wagen zich niet meer in riskante wijken en de regering vindt geen gesprekspartner, want nooit meldt zich een afzender na een aanslag. De Thaise regering heeft het over dialoog, maar voor een dialoog heb je een tegenpartij nodig. Die is er niet.”

Volgens de professor gaat het bij de terroristen en opstandelingen om losse verbanden, die soms hun eigen acties niet eens in de hand hebben. „Maar ze hebben succes, want menig dorpshoofd knijpt een oogje toe en je hebt volop dorpen en wijken waar radicale opstandelingen informeel de dienst uitmaken.” Dorpshoofden die niet meewerken worden vermoord en belangstelling voor aldus ontstane vacatures is er niet.

Hoewel er geen zichtbare partij is, zijn er wel zichtbare grieven, en die worden door brede lagen van de bevolking gedeeld. Men voelt zich achtergesteld, wil meer islamitisch onderwijs, meer eigen taal, meer functies in het regionaal bestuur. Voor wat het familierecht betreft willen de moslims de shari’a (het islamitisch recht) weer terug, die veertig jaar geleden vanuit Bangkok werd geschrapt. Jitpiromsi: „Ja, als de regering daaraan serieus zou werken, dan zou je eventueel de extremisten kunnen isoleren. Maar dan nog is het een lange weg – we zitten hier nog jaren met een klimaat van angst, reken daar maar op.”

Om juwae, strijder, te worden, moet je worden gevraagd. Er volgt een inwijdingsrite met heilig water en dan kan een tiener beginnen: eerst wat pamfletten verspreiden, een brandje hier of daar en ten slotte het grote werk. Wie klikt of gewoon loslippig is, wordt afgemaakt.

Eén voor één klikt de politiecommandant van Pattani, majoor Wongvorachat, huiveringwekkende foto’s van vermoorde mensen op zijn scherm aan en vertelt ondertussen het verhaal van een jongen die precies weet wie de daders zijn van de moord op zijn vader, maar desalniettemin zwijgt als het graf.

Hoofdonderwijzer Pohsu uit het islamitische gehucht Tapong hecht ook te zeer aan het leven om uit te weiden over zijn dorpsgenoten. Eigenlijk is het uitgesloten dat je in een gehucht met zoveel sociale controle en bovenop elkaar wonend niet zou weten wie wat uitspookt. Daar is hij het, een beetje nerveus lachend, wel mee eens. En voegt er aan toe: „Over vier jaar, als mijn zoon naar zijn vervolgopleiding gaat, verlaten we deze provincie.” Waarheen? Zijn voorkeur heeft het 500 kilometer noordelijker gelegen Phuket, de provincie van het onbekommerde Aziatische dolce vita.