‘Meer tijd op het consultatiebureau’

Bezoek aan het consultatie-bureau verplichten, zoals het kabinet wil, is helemaal geen goed idee. Dan wordt het een soort examen, zeggen de medewerkers.

Utrecht, 22 maart. - Een peuter, anderhalf jaar oud, komt binnengehobbeld met een speentje in zijn mond. Astrid de Vries, de arts van het consultatiebureau, kijkt bedenkelijk. „Heeft hij die speen altijd binnen handbereik”, vraagt ze aan de moeder. Ja, zo blijkt. „Wij adviseren de speen alleen te gebruiken als hij gaat slapen”, zegt De Vries. „Van een speen krijgt hij namelijk vooruitstaande tanden en een slap mondje. Kinderen die de hele dag een speentje gebruiken, leren veel minder goed praten.”

Dit is consultatiebureau De Lichtkring in Utrecht, een van de honderden in Nederland. Astrid de Vries en verpleegkundige Isabelle Langereis krijgen deze morgen 24 peuters en hun ouders op bezoek. Ze weten alles van de kinderen. Dat de vader van de peuter drugsproblemen heeft. En dat in zijn familie erfelijke ziektes voorkomen en mishandeling. Het bureau weet ook hoe de groei van het kind zich ontwikkelt, hoe hij eet en slaapt, en of zijn ogen en oren goed zijn. Met blokken en boekjes wordt bovendien nog ‘getoetst’ hoe de motorische en de taalontwikkeling van het kind vordert.

De Vries en Langereis hebben grote bezwaren tegen de plannen van staatssecretaris Dijksma (Onderwijs, PvdA) om het bezoek verplicht te stellen.

Dijksma wil op de consultatiebureaus beginnen met het aanpakken van taalachterstanden bij jonge kinderen. Momenteel bepalen ouders zelf of ze naar het consultatiebureau gaan. Volgens de nieuwe plannen moeten kinderen bij wie een taalachterstand wordt geconstateerd, vervolgens naar een crèche, peuterzaal of andere vorm van ‘voorschool’ waar de taalachterstand wordt weggewerkt. Dit moet voorkomen dat kinderen al met een achterstand aan de basisschool beginnen. Uiterlijk per 1 januari 2009 moet begonnen zijn met de verplichte screening en moeten er voldoende taalprogramma’s beschikbaar zijn. Er wordt begonnen in de grote steden en in Oost-Groningen en Zuid-Limburg, omdat daar volgens de bewindsvrouw de achterstand het grootst is.

Op consultatiebureau De Lichtkring worden aan de ouders en de kinderen vragen gesteld om de ontwikkeling van de kinderen te bepalen. Als een kind op twee items van de vastgestelde lijst onvoldoende scoort, is dat een signaal en kan het bureau vragen of het kind een extra keertje komt om nóg eens te screenen.

In de eerste vier jaar van zijn leven komt een peuter hier dertien keer op consult. Als het ergens misgaat, kan het bureau ingrijpen en hulp geven of zoeken. „Zegt hij al ‘vroem vroem’ voor een auto of ‘boem’ als er iets op de grond valt”, vraagt Astrid de Vries aan de moeder van de peuter. „En herkent hij dierengeluidjes als ‘boe’ zegt de koe?” „Nee, nog geen dierengeluiden”, zegt de moeder.

Astrid de Vries vindt het geen goed idee dat het bezoek aan het consultatiebureau verplicht wordt. „Dan leg je te veel druk op de ouders. Dan krijgen ze het idee dat ze moeten laten zien of ze het goed doen, het wordt een examen. Terwijl je juist wilt dat ouders ontspannen zijn en eerlijk vertellen hoe het gaat.” Bovendien is verplicht stellen ook helemaal niet nodig. „We bereiken al 98 procent van de ouders.”

Een ander punt waar De Vries tegen zou zijn, is als Dijksma de screening zou verzwaren. Het bureau heeft nu al moeite alle elementen in de beschikbare 15 minuten per consult te krijgen. Ook deze ochtend lopen de afspraken weer enorm uit. „Tot nu toe wordt de thuiszorg, waar de consultatiebureaus onder vallen, steeds gekort”, zegt De Vries.

Een ander bezwaar is, dat de plannen van Dijksma louter focussen op het toetsen op taal. Terwijl het niet alleen gaat om hoeveel woordjes een kind kent, zo zegt Ineke Wulp van thuiszorgorganisatie Aveant, waar het consultatiebureau onder valt.

„Soms praat een kind niet goed omdat er thuis problemen zijn. Of omdat de ouders niet voldoende met het kind praten, spelen of lezen. Taalontwikkeling heeft ook te maken met het opleidingsniveau van de ouders, zegt Wulp. En dan zijn er nog de medische problemen. Een kind kan chronisch verkouden zijn, of niet goed horen waardoor de spraak in het gedrang komt. Er kan bovendien autisme in het spel zijn of psychische klachten. „Dat moet een logopedist oplossen, een kno-arts, of het Riagg, niet de voorschool.” En dan komt het nog geregeld voor dat een kind gewoon even geen zin heeft om mee te werken. Of verlegen is. „En dus geen bal zegt. Maar een maand later kan hij het dan weer prima doen”, zegt Isabelle Langereis.

In Utrecht dreigt bovendien een probleem met de voorschool te ontstaan, zegt Wulp. Er wordt hard gewerkt aan een uitbreiding van het aantal plaatsen, dat is het probleem niet.

Omdat er vooral kinderen heengaan die thuis geen Nederlands spreken, is de voorschool synoniem geworden met achterstand: 80 procent van de kinderen is allochtoon. Daarom willen autochtone ouders hun kinderen er niet naartoe laten gaan, zegt Wulp, en wordt de segregatie in Utrecht al vóór de basisschool ingezet. „Dé uitdaging voor de komende jaren is ook autochtone kinderen te motiveren naar de voorschool te gaan, als zij problemen hebben met taal”, zegt Wulp.

Het advies voor staatssecretaris Dijksma is: haal het screenen uit de sfeer van ‘toetsen, problematisch en verplicht’. En geef consultatiebureaus meer tijd voor het adviseren van ouders over taal en voorschool. Over samen met hun kind lezen, liedjes zingen, naar de bibliotheek gaan, bijvoorbeeld. En dat kinderen niet te veel tv moeten kijken, zegt Langereis. „Na een kwartier wordt televisiekijken voor een 3-jarige alleen maar iets waar je dik van wordt.”