Lobbyen om op een negatief lijstje te komen

Veertig probleemwijken krijgen extra geld en aandacht van minister Ella Vogelaar. Gemeenten willen graag op zulke lijsten. „Maar de huizenprijzen dalen er wel meteen.”

Rotterdam, 22 maart. - Een gemeente zegt liever geen nee tegen extra geld voor wijkvernieuwing. Maar genoemd worden in een lijst met achterstandswijken willen ze juist weer niet, want dat levert negatieve publiciteit op, met de bijbehorende gevolgen. „Als een wijk uit het niets op een lijst komt, kunnen huizenprijzen dalen”, zegt directielid Sandra Korthuis van de Vereniging Nederlandse Gemeenten.

Vandaag maakte minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) bekend welke probleemwijken zij de komende jaren extra geld en aandacht gaat geven. Niet alle gemeenten waren het eens met de selectie door het ministerie. Minstens een van hen maakte er bezwaar tegen. De meeste aangewezen probleembuurten liggen in de grote steden. In Rotterdam werden er zeven aangewezen, in Amsterdam vijf. Utrecht en Den Haag hebben er vier. Buiten de Randstad worden ook wijken genoemd in Groningen (Krrewegwijk, De Hoogte, Meezenbroek) en Arnhem (Klarendal en Presikhaaf).

Voor de lijst van Vogelaar zijn naar Brits voorbeeld postcodegebieden vergeleken op gegevens als werkloosheid, door bewoners ervaren onveiligheid, verhuiscijfers en inkomen. De wijken die in negatieve zin het meest afweken van wat landelijk gemiddeld is, haalden de lijst. Met een nadruk op stadsproblemen. Want criteria als ‘het ontbreken van voorzieningen’ (postkantoor, winkels), werden niet meegewogen, evenals cijfers over economische achterstanden. De arme buurten op het platteland maakten daardoor minder kans op de lijst te komen. Een woordvoerder van het ministerie van VROM zegt: „We hebben gekeken waar de problemen het grootst waren en of er een optelsom van problemen was. Dan heb je het eerder over grote steden dan over kleinere en het platteland.”

Op elke keuze is kritiek. Zo zegt wethouder Herman Jansen (Ruimte en wonen, PvdA) uit Venlo dat Venlo-Oost niet op de lijst voorkomt, terwijl daar wel „behoorlijke sociale problemen” zijn. „Maar in het postcodegebied zit ook een villawijk met huizen die zo’n acht ton tot anderhalf miljoen euro kosten. Dat verandert de cijfers.”

Vogelaar lijkt met haar focus op de steden tegemoet te komen aan de kritiek dat het achterstandenbeleid te versnipperd is geraakt. De Vereniging Nederlandse Gemeenten vindt juist dat ook naar andere gemeenten gekeken moet worden. „Een stad als Emmen heeft veel minder mogelijkheden om zelf geld te verdienen dan bijvoorbeeld Amsterdam met een gebied als de Zuidas”, zegt directielid Korthuis van de VNG.

Maar hoeveel probleemwijken zijn er nu echt? De afgelopen jaren hebben tal van aantallen gecirculeerd. Zo waren er de 56 probleemwijken van minister Henk Kamp van VROM in 2002, die waren voorgedragen door dertig gemeenten. De PvdA had het in haar campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van november 2006 steeds over 130 wijken. En minister Winsemius noemde er 140, waarvan er veertig volgens hem brandhaarden waren. Hij trok er veel aandacht mee, maar Winsemius noemde geen namen. Dat liet hij over aan zijn opvolger Ella Vogelaar.

Het kabinet trekt jaarlijks 400 miljoen euro extra voor de wijken uit. Ze moeten binnen acht tot tien jaar veranderen in „vitale woon- werk en leefomgevingen”. Maar hebben de eerdere investeringen wel geholpen? Op de lijst van 56 wijken van Kamp staat een aantal wijken waar ook nu nog, soms grote, problemen, zijn. Zoals Overvecht in Utrecht en Rotterdam-West. Een aantal van de wijken duiken ook weer op in de lijst van Vogelaar. De Utrechtse wijk Ondiep bijvoorbeeld, die vorige week het toneel was van rellen. Maar nu is de selectie onderbouwd door harde cijfers, en zijn de wijken niet deels aangedragen door gemeenten zelf. De aanpak is nu ook anders, zegt een woordvoerder van het ministerie, omdat meer gekeken wordt naar de sociale infrastructuur in de wijken.

Voor gemeenten viel er deze keer dus weinig te lobbyen. Wethouder Snier (wijkontwikkeling) uit Breda: „Het ging heel snel, er was helemaal geen tijd.” En wethouder Herman Janssen (Ruimte en wonen) uit Venlo zegt: „Ik heb geen idee waar ik dat zou moeten doen.”

Oud-minister van Grote Stedenbeleid, Roger van Boxtel verwacht dat gemeenten zullen proberen alsnog in aanmerking te komen, via de Tweede Kamer. „Ik had een lijst met 21 gemeenten, de G21, maar onder druk van de Tweede Kamer zijn er drie gemeenten aan toegevoegd die ook een deel van het geld kregen, zoals Amersfoort en Lelystad. Er valt altijd iemand buiten de boot. Het is voor Vogelaar nu zaak haar rug recht te houden.”

Andersom kunnen gemeenten overvallen worden door plaatsing op een lijst, als dat niet tevoren is overlegd, zegt Sandra Korthuis van de VNG. „Stel dat je als gemeente net bezig bent met de aanpak van een problematische wijk, en er duikt ineens een andere wijk op in zo'n lijst. Dan verwachten de bewoners daarvan actie, terwijl je er als gemeente niet klaar voor bent.” Volgens Korthuis zijn gemeenten enthousiaster over lijstjes naarmate de vrijheid om het geld naar eigen inzicht te besteden groter is.

Van Boxtel zegt dat gemeenten graag genoemd worden in achterstandslijstjes, als daar geld aan gekoppeld is. „In mijn tijd heb ik nooit meegemaakt dat een gemeente niet op een lijst wilde.” Volgens hem halen gemeenten alles uit de kast als dat nodig is. „Sommigen die hun financiën prima op orde hebben, doen alsof ze ten onder gaan aan de geldzorgen.”

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Lobbyen om op een negatief lijstje te komen (22 maart, pagina 3) staat dat de wijk Meezenbroek in Groningen ligt. Meezenbroek ligt in Heerlen.