Gewoon een benepen, eigenwijs landje

Nederlandse politiek in verband brengen met het nationalisme à la De Gaulle – wie dat nog niet zo lang geleden zou hebben gedaan, zou volstrekt niet serieus genomen zijn. Was het immers niet de Nederlandse politiek die in de jaren ’60 krachtig stelling nam tegen het gaullistische concept van Europa als een intergouvernementeel samenwerkingsverband en sindsdien jarenlang voorop liep om het communautaire karakter van de Europese Gemeenschap te versterken?

In die jaren was Nederland zelfs zozeer in de ban van een supranationaal Europees idealisme, dat wie stelde dat de Nederlandse soevereiniteit daaraan niet opgeofferd mocht worden, al gauw het verwijt kreeg nog in nationalistische termen te denken. De Utrechtse historicus Righart herinnerde daar nog aan in 1992 in zijn boek Het einde van Nederland. Nu de zuilen er niet meer zijn, waaraan we onze identiteit voornamelijk ontleenden, kan Nederland het beste in Europa opgaan. Meer dan welk ander land is Nederland klaar voor Europese eenwording, aldus deze historicus.

Nu zien we echter dat het kabinet van dit jarenlang gekoesterde geloof in een supranationaal Europa is afgevallen en in de geest van De Gaulle onomwonden kiest voor een intergouvernementeel Europees samenwerkingsverband, waarin het primaat ligt bij de lidstaten. Het kiest dus ook voor het primaat van nationale belangen in Europees verband, een keuze die Nederland zo lang als kwalijk nationalisme placht te kritiseren. In het rapport van de Nationale Conventie, die vorig jaar tot taak had het democratische vernieuwingsproces nieuw leven in te blazen – maar die achteraf de zoveelste politieke flop op het terrein van democratische vernieuwing blijkt te zijn – werd in dezelfde geest geadviseerd. Alleen op dit punt heeft de Conventie gehoor gevonden.

De Europese superstaat is daarmee van de baan. Maar over welke superstaat hebben we het dan? In feite gaat het in de voorgestelde Europese grondwet om een nieuw constitutioneel verdrag zoals het EEG-verdrag van 50 jaar geleden dat ook was, evenals bijvoorbeeld het Handvest van de Verenigde Naties. Op onze universiteiten wordt al sinds lang Europees constitutioneel recht gedoceerd. De voorrang van Europees recht boven Nederlands recht – een van de andere argumenten ter ondersteuning van de vrees voor een Europese superstaat – geldt al lang en ligt ook geheel in de lijn van onze naoorlogse rechtsontwikkeling sinds de grondwetsherziening van 1953/54. Sindsdien is aan alle bepalingen van internationale verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisatie voorrang verleend boven Nederlands recht.

Zelfs een federale opzet van de EU impliceert op zichzelf nog niet een superstaat, mits men uitgaat van het klassieke federale concept zoals dat door de Duitse regering in 2000 is voorgesteld, te weten een nevenschikking en dus een gelijkwaardige positie van het centrale gezag (de Bond) en de deelstaten die ieder in hun respectievelijke bevoegdheidssferen soeverein zijn. In plaats van een superstaat ontstaat zodoende een federatie van natiestaten, die gebaseerd is op gedeelde soevereiniteit en tevens een heldere Kompetenz-Katalog, dat wil zeggen een duidelijke bepaling van exclusief-Europese, exclusief-nationale en gedeelde bevoegdheden.

Dit kabinetsstandpunt betekent niet alleen dat Nederland in de achterhoede van het Europese integratieproces raakt. Het betekent ook een politieke afgang van de eens zo internationalistisch gezinde PvdA en het eens zo Europagezinde CDA.

Na de verwerping van de voorgestelde Europese grondwet schreef het Kamerlid J. Schinkelshoek (CDA) verontwaardigd: Nederland blijkt gewoon een benepen, eigenwijs en naar binnen gekeerd land te zijn. Heel lang hebben protestanten wantrouwend naar Europa gekeken. Alleen het CDA was daarop in zijn ogen een uitzondering. Hij doelde daarmee kennelijk op het katholieke smaldeel van het CDA.

Na aanleiding van het CDA-standpunt inzake dubbele nationaliteit merkte voormalig CDA-minister Van Ardenne dezer dagen op: „We zijn toch wereldburgers geworden? De grenzen zijn allang weggevallen. Maar de VVD trekt ze weer op.”

Maar uit het juist gekritiseerde kabinetsstandpunt blijkt dat het kabinet het Nederlandse burgerschap weer centraal stelt en de ontwikkeling van Europees burgerschap op de achtergrond stelt.

Nergens ter wereld wil men zo graag wereldburger zijn als in Nederland, aldus Nederlandkenner Herman Pleij. Laten we eerst maar eens proberen een actief Europees burgerschap te ontwikkelen. We kunnen daarbij voortbouwen op een gemeenschappelijke Europese geschiedenis en cultuur. Dat burgerschap stelt daarmee minder hoge eisen dan wereldburgerschap. Het is juist via Europees burgerschap dat we het beste kunnen toegroeien naar wereldburgerschap. Nederland heeft alleen nog toekomst in een zich verder verenigend Europa. En dat Europa is een heel sterk merk in de wereld, zoals reclamemakers onderstreepten (NRC Handelsblad, 15 maart).

S.W. Couwenberg is redacteur van Civis Mundi en oud- hoogleraar staats- en bestuursrecht.